Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan de zin ook nooit natuurlijk uit méér dan vier deelen kunnen bestaan. En toch, kijk deze bladzij nu eens aan! Bijna alle zinnen tellen meer dan vier woorden! Dat zouden düs, als de vergelijking met hchaamsdeelen opging, allemaal monsterachtige wezens zijn, net als de goden der Hindoes met tien of twintig armen en voeten, of juist als de draken met zeven koppen uit de middeleeuwsche ridderromans! Neen, de zin is niet een organisch geheel, dat uit op-zich-zelf onbestaanbare hchaamsdeelen bestaat, maar een groepgeheel, dat uit bijeengroepeering van op-zich-zelf staande woorden of constructies: telkens opnieuw wordt in elkaar gezet.

, Wat gebeurt er nu evenwel, als er meer dan vier jongens 4. Twee kinderen ^ meespelen? Wel, dat is heel eenvoudig. Wat spelen samen. , . v £u . . .it

doen we als we niet met tweeën maar met vieren willen

kaartspelen? Dan spelen er twee samen, die worden maatjes en helpen elkaar, tegen de twee anderen, die ook samendoen. En wat moet er gebeuren, als er nu eens twee precies dezelfde plaats in de groep willen hebben ? Wel, wat doen kinderen, als ze met drieën paardje willen spelen? Dan is er niet één paard, maar twéé zijn paard, en de derde is de koetsier van beiden. Zoo gaat het nu ook op de denkbeeldige binnenplaats, waar het raampje van Keesjes bewustzijn op uitziet. Alleen heeft dat groep- of zinspelletje natuurlijk, net als alle spelen, weer z'n eigen regels, die we in dit hoofdstuk samen eens zullen afkijken.

„ , Voor het onderwerp of den voorlooper is het al heel

rH>l°n " gemakkelijk. Als er twee kinderen onderwerp willen werp spei zijflS'üèmen ze elkaar bij de hand, wat door het voeg¬

woord en wordt voorgesteld. (Fig, 17). Het gezegde pakt hen dan beiden bij hun jurk of jasje, met elke hand een (Fig. 28). Zoo'n groep noemen we nu een uitgebreiden enkelvoudigen zin; omdat het onderwerp eigenlijk uit twee onderwérpen bestaat; en dat brengt, gelijk°w*i al zagen, ook een kleine verandering voor het gezegde mee, daar dit nu beiden moet vastpakken.

_ Maar veel interessanter wordt nog het spel, als twee

a li9' jongens beiden verbaal gezegde willen spelen, omdat die * dan gewoonlijk ruzie krijgen, elkaar willen verdringen, en ten slotte de een over den ander baas gaat spelen, zoodat we niet meer met nevengeschikte, maar met ondergeschikte gezegdes te maken krijgen. Na doet auto toe-oe, had Keesje, toen hij op een mooien dag z'n muts op een draaitafel het ronddraaien, al eens gezegd: doer a oer daafo (doet de muts draaien). Hij had dus van den infinitief een soort voorwerp gemaakt. Maar we weten, de infinitief is toch eigenlijk een werkwoord, en die kalme houding van triomfantelijk zitten rijden (Fig. 9), past hem maar zoo half. Vandaar, dat Keesje nu een dag daarna, in een dergelijk geval de beide werkwoorden tot gezegde maakt, éÜr'ïïeze van twee kanten Op nef

228

Sluiten