Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken, blijken, heeten. danken, geen voorwerp maar een naamwoordelijk deel van het gezegde zijn. en dus niet in den 4d«, maar in den !*«> naamval

moeten staan, is niets anders dan juist een doorslaand bewijs van die tweeslachtigheid.

13. Aanval- 1 .,_ lingen van öctlnonfe den rijder, voorstelling met jongens een waaghal-' zige toer, toch kan zoo'n bovengezegde nu zelf weer een voorwerp, een bepaling, of beide tegelijk, of zelfs weer een bovengezegde bij zich krijgen. Zoo b.v. 'k Wiw tanda poessa fkWil tandenpoetsen). Beertja wir nie toer zitta (Het beertje wil niet op den stoel zitten). Chaa Kees tats sat pera (Kees gaat straks met zand spelen). Keesja moet bootja ere (Keesje moet e,en broodje opeten). (Fig. 31). Boot chaat bootampja eta (De boot gaat een boterhampje eten), 't Hondja wil da koek eta. Vada mach moena kusja geva. 'k Zar an mooi huis bouwa. Ik moet met ta tein pera (ik moet met den trein spelen). Foetja wil jasja pakka. Keesja is rija waachja

(Keesie is rii«>n mof h«+

wagentje). Mach ak koesja mek dinka. Moena is boochap doen. Keesja kom

Fig. 31. Foetja wil jasja pakka. (Het voetje wil het jasje pakken.) Keesja moet boodja eta. (Keesje moet een broodje eten.) Boot chaat bootampja eta. (De boot gaat een boterham eten.) 't Hondja wil da koek eta. ft Hondje Wil de koek opeten.) Moena is boochap doen. (Moeder is een boodschap doen.)

235

Sluiten