Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede Mag op den rug van den wagenmenner terecht, die er diep var doorbuigt. Bq den sprong is kijken, wonder boven wonder, kalm bhiver staan; alleen A/ief is door den schok omgedraaid, en de uit haar evenwicht geraakte gans (hoor) kwaakt zichzelf weer weldra tot behagelijke rust op de hand van de klauterende voorzetselbepaling {in da spiega). 26. De relatieve zin. Misschien wel niet met het voorwerp te vergelijken, maar toch rijk en interessant is ten slotte ook de verdere groei der bepalingen. In dezen tijd ontwikkelt zich toch naast de bijvoeoelijke bepaling niets rninder of meer dan de relatieve bijzin. Hoe dat aalf We zagen in Nr. 32 op blz. 107 reeds, dat Keesje, in sommige verbale zinnetjes als/an die ree/Qan die leeft), die als overgangswoordje"was gaan gebruiken. Nu, op denzelfden dag. dat hij voor het eerst die wondere omnibus zag. wou hij daarvan vertellen aan vaja. 't Was een trem, maar niet die gewone, waarmee vader altijd naar stad ging. die boerda tem (die beroerde trem). maar een heel bijzondere, che.... ja hij wist niet. hoe hij hem noemen moest, die wondere trem. die tem die.... en opnieuw stokte hem het stemmetje in de keel. Tot ten slotte de nood — altijd en overal de beste leermeester — hem over de moeüijkheid heenhielp, en het eerste relatieve zinnetje netjes aangedaan van z'n lippen huppelde: Die tem die op da rijtuig rijdt. Hier is dus een heel zinnetje, bestaande uit gezegde en voorzetsel-bepaling, het zinwoord Die tem op de schouders gesprongen Men verwondert zich misschien dat ik aan dit relatieve zinnetje ook geen onderwerp toeken. Ik geef toe. het is mogelijk, dat Keesje het tweede cue hier reeds als apart onderwerp voelde, maar zeker is het op verre na niet. In ieder geval ontwikkelt zich het besef, dat die bier in den relatieven bijzin thuishoort, pas zeer langzaam en onzeker met de onderschikkende voegwoorden. En hierop komen we in 't volgende deeltje terug. 1 rouwens ook bij ons zijn de betrekkelijke voornaamwoorden dikwijls nog meer overgangswoordjesdan volwaardige zindeelenvanden relatieven zin. OEFENING AUeen het tweeslachtig karakter van het betrekkelijke voornaamwoord is het te verklaren: 1° Dat het z'n geslacht en getal ontleent aan het antecedent in den hoofdzin, maar z n naamval aan z'n groep functie in den bijzin. (Denk, als je reeds Grieksch kent. ook aan de attractiel)B.v. De jongen, wiens pet ze in 'twater gegooid hadden, is huilende thuisgekomen. De jongens, wier petten hij boven op de kast had gegooid, hebben hem een flinke aframmeling gegeven. Anna, wier hoed was afgewaaid, wilde zoo gauw mogelijk naar huis. In al deze zinnetjes staat het betrekkelijk voornaamwoord in den 2«<* naamval omdat het in den bijzin een bijvoegl. bepaling bij het onderwerp of voorwerp Is; maar in den eersten zin luidt die 2^ nvl wiens omdat het woord in den hoofdzin, waar het op terugslaat, een mannelijk persoon beteekent; ta den tweeden zin: wier omdat hier de hoofdzin van meerden: mannelijke personen spreekt; en in den derden wier omdat het antecedent

249

Sluiten