Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten reidans om zijn ledikant. Twee moesten Het. kussend, des ma

en zongen liedekens, wonderzacht, [gens

gelijk nachtegalen bij lentenacht die waren gedoscht in morgenpracht

Vielen dan s kindjes oogelijns dicht. Twee hielden hun opengevouwen^

dan doofden zij gauw hun sterrenlicht, als een levenden hemel over het Wkhl

en ieder koos zich. zonder geluid, hun kleed geleek op het morgenkrieken

voor heel den nacht een plekjen uit en van hun aangezicht straalde licht

M En ieder op zijn hoofdje droeg

x„„ _^ „"' ,1 , demt' een vonkelend rooden rozenhoed.

1 wee zetten zich, groen als de zee

aan zijn hoofden-en aan rijnvoeteneind, Eén enkele stond ter zij, alléén. Rechts en links, op de spondeplank. en waagde het niet vooruit te treên, zaten twee andre als sneeuw zoo blank, en zag met oogen vol getraan Twee deden niets dan het Kindje dek- van verre het slapend Kindjen aan;

[ken; die droeg op 't hoofd een doornenhoed, die waren azuur als de zomernacht zijn handen en voeten dropen van bloed DE KLEINE JOHANNES. :-: « ft door Frederik van Eeden. Johannes woonde in een oud huis met een grootentnin. Het was er moeilijk den weg te vinden, want in het huis waren veel donkere portaaltjes, trappen, kamertjes en ruime rommelzolders, en in den tuin waren overal schuttingen en broeikasten. Met was een heele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte. Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar eens een kip gevonden had. Die was er niet van zelve gekomen, maar daar door Johannes' moeder te broden gezet. In den tuin koos hij namen uit het plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengselen, die voor hem van belang waren. Zoo onderscheidde hij een frambozenberg, een dirkjesbosch en een aardbeiëndal. Heel achter was een plekje, dat hij het paradijs noemde en daar was het natuurhjk erg heerlijk. Daar was een groot water, een vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind. Aan de overzeide lagen de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan dezen oever, omringd door kreupelhout waartusschenhetnachtegaalskruid hoog opschoot Daar lag Johannes dikwijls in het dichte gras en tuurde tusschen de schuifelende rietbladen door. naar de duintoppen over het water. Up warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor zich, - hoe gezellig het daar moest zijn. tusschen die waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, prachtig gekleurde wolken die boven de duinen zweefden, - wat daar wel achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen. Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zóó opeen, dat ze den ingang van een grot schenen te

De Roman van een kleuter. 17.

257

Sluiten