Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

Art. 350 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

„Zwagerschap bestaat in de betrekking, welke door aanhuwelijking geboren wordt tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen.

„Er bestaat geen zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der echtgenooten."

Kennelijk bezigt het reglement het woord zwagerschap ook in deze beteekenis. Men lette dus op dit tweede hd van art. 350, dat een afwijking vormt van wat men in het dagelijksch leven onder zwagerschap of aanverwantschap verstaat. De echtgenooten van twee zusters mogen te zamen in het bestuur zitten.

Bij zwagerschap in den zin van het Burgerlijk Wetboek of van het Reglement, wordt de band altijd geschapen door één huwehjk; hiermede zijn ook in overeenstemming het derde en vierde hd van art. 31.

EERSTE LID.

„Bloedver wantscliap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad". Eerste graad: vader en zoon; schoonvader en schoonzoon. Tweede graad: grootvader en kleinzoon; een grootvader en de echtgenoot zijner kleindochter; een broeder en de echtgenoot zijner zuster. Voor vrouwen natuurlijk dienovereenkomstig.

VIJFDE LID.

Deze bepaling is aan het artikel toegevoegd in 1916.

Artikel 32. (14, 4e lid).

Het bestuurslid, dat met toepassing van art. 63 of art. 167 is ontslagen, is gedurende twee jaren, te rekenen van den dag, waarop het ontslag onherroepelijk is geworden, niet tot hd van het bestuur benoembaar.

„Dag, waarop het ontslag onherroepelijk is geworden". Een ontslag, door de Kroon verleend, of een door de Kroon bevestigd ontslagbesluit van Gedeputeerde Staten, is onherroepelijk op den dag van het Koninklijk besluit. Een door Gedeputeerde Staten gegeven ontslag is onherroepelijk, wanneer na de openbare bekendmaking van het ontslag in den polder dertig dagen verloopen zijn, zonder dat beroep is ingesteld (art. 21 der wet van 10 November 1900, St.bl. 176, houdende algemeene regels omtrent het waterstaatsbestuur).

Sluiten