Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

§ 2. De hoefslagplicht.

Hoefslagpücht is de van ouds op bepaalde perceelen rustende last tot onderhoud van een waterstaatswerk. Hij komt voort uit het vroeger algemeen gevolgde stelsel om de kosten van het onderhoud der dijks- of polderwerken zooveel mogehjk in natura en niét in geld over de ingelanden om te slaan.

In veel gevallen is het werk, dat onderhouden moet worden (b.v. de kade) tevens dat, waarop de hoefslagplicht rust. Men zij echter voorzichtig. Lang niet overal, waar een waterkeering, weg, voetpad of watering door den eigenaar moet worden onderhouden, heeft men met hoefslagplicht, dus met een van ouds krachtens de inrichting van den polder bestaande verplichting, te doen.

Immers veel onderhoudsverphchtingen berusten op een vergunning of wel hierop, dat de polder een bepaald gebruik (beweiding van een kade b.v.) gedoogt, doch dan ook in de keur voorschrijft, dat het onderhoud voor rekening van den eigenaar komt, aan wiens gebruik dan veelal de noodzakelijkheid van onderhoudsuitgaven uitsluitend te wijten is. Zie ook art. 94 en het daarop aangeteekende.

„Volgens art. 15 der (Bevoegdheden)wet van 9 Mei 1902, St.bl. 54, wordt de schuldplichtigheid voor bewezen gehouden, wanneer daarvan blijkt op de wijze bij het reglement der instelling of provinciale verordening voorgeschreven, behoudens tegenbewijs. Het aanvankehjk bewijs, dat een hoefslagboek oplevert, vordert dat de wijze van samenstelling niet zooals tot dusverre geheel aan het bestuur wordt overgelaten". (Toelichting, blz. 31.)

Zie over het eerste opmaken der hoefslagboeken de artt. 186—189.

Men zie voorts vooral de circulaire van Gedeputeerde Staten (hierachter, blz. 143).

Artikel 149.

L De perceelen, welke met hoefslagphcht besmet zijn, bhjven daarmede besmet.

2. De hoefslagphcht wordt, behoudens tegenbewijs, door het hoefslagboek bewezen.

Artikel 150.

De hoefslagplicht rust voor het geheel op elk deel van het besmette perceel en elk gedeelte daarvan is en bhjft aansprake-

Sluiten