Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

maals 't pleit voor het Calvinistische Staatsrecht op te nemen. In de hooge colleges van Staat werd reeds na 1750 van geen eigen staatkundig beginsel, dat straks tegen het beginsel der Fransche Revolutie zou opwegen, ook maar gerept. Schier peuterig was Regent na Regent er slechts op bedacht om zijn persoonlijke macht en de macht van zijn familie in Staat en stad te versterken. En het volk in zijn breeder kringen, dat in oefening van geduld onder der Regenten geplaag, zichzelf overtroffen had, meende dan nu toch op 't geroep uit Parijs, eindelijk, eindelijk dienstvrij uit zijn sloppen te mogen opdagen. En zoo is toen, geheel buiten de heugenis van ons roemrijk verleden om, die eervergeten jammertoestand geboren, waarin Napoleon ons verzonken vond, en waarin hij ons nog drie steeën dieper wist neer te drukken.

Als een wonder in elks oogen kan er dan ook niet hoog genoeg in geroemd, en niet eerbiedig genoeg voor gedankt, dat dan toch, na Belgiens afval, wat eens de Vaderen bezielde, niet enkel op Godgeleerd, maar ook op staatkundig terrein weer zoo krachtige teekenen van herleving begon te vertoonen. Niet dan uit bangen nood is toen in de vorige eeuw dit vernieuwde leven geboren, en zonder vrees voor tegenspraak mag na de eeuw die sinds verliep, beleden, dat we ditmaal nu eens niet na de eerste verlossing uit den nood weer aanstonds inzonken, maar dat er veeleer in gestadigen vooruitgang te roemen viel. Niet alleen toch, dat kerkelijk de aloude belijdenis weer in eere opleefde, zóó zelfs, dat waar in 1816 nauwelijks op een vier dozijn predikanten te rekenen viel, die trouw in Schrift en Belijdenis stonden, thans, een eeuw later, in alle kerken saam hun aantal op meer dan het twintigvoud mag geschat. Ook staatkundig mocht het getal kiezers dat met ons ging, veelszins ldimmen. Onze politieke Pers zette zich op zóó verrassende wijze uit, dat de beteekenis van de aloude blauwboekjes er bij verbleekte. En wat niet minder stof tot roemen bood, ook op wetenschappelijk gebied zijn we, altoos vergelijkenderwijs, reeds nu zooveel rijker dan onze vaderen er in de 16e eeuw voor stonden. Wat Groen van Prinsterer op wetenschappelijk gebied als pleit voor onze beginselen ten beste gaf, en wat na hem door tal van hoogleeraren wetenschappelijk gefundeerd werd, overtreft zeer verre de politieke nalatenschap, die ons door de juristen onder onze aloude Calvinisten was overgeleverd. Nog altoos klein in aantal zijn onder ons de mannen,

Sluiten