Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 18 —

Juist kwam er een ingenieur van de werf aan en deze zeide, dat er geenerlei bezwaar was om den proeftocht den volgenden morgen te houden.

Frits, die dit laatste gesprek had aangehoord, kon zich nu niet meer inhouden.

„Toe oom, laat mij dien proeftocht ook medemaken."

Kapitein Boersma had er geen bezwaren tegen. „Maar denker om, met je vrienden er niet over spreken. Met geen woord rep je van de „Holland" en van mijn aanstaande reis."

Frits beloofde het plechtig.

Den volgenden dag gedurende den proeftocht, zouden een paar mannen van de werf als stokers dienst doen en ook zou er nog een dekknecht medegaan, daar de eigenlijke bemanning nog niet aanwezig zou zijn»-

Nadat de kapitein nog even den reeder had getelefoneerd wat besproken was, keerden oom en neef terug naar den Haag.

Frits was blij in het vooruitzicht den volgenden dag den proeftocht mede te maken, maar die blijdschap verdrong niet geheel zijn spijt over het feit, dat zijn oom hem op de zeereis niet mede wilde nemen. Die zeereis, op zoo'n klein bootje, met zoo'n geheimzinnige bestemming en bij al de gevaren, die er wel dreigen zouden, spookte Frits door het hoofd en hij peinsde en peinsde, maar kon toch geen middel vinden om zijn oom nog over te halen hem mede te laten gaan.

En wat had Frits dit toch graag gewild!

Sluiten