Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moesten. Aan den wal hingen op houten stellages duizende visschen te drogen.

Toen de „Holland" gemeerd lag, ging kapitein Boersma met zijn neef aan wal. Bij de werklieden, die aan den arbeid'waren, was een heer, zeker de directeur der onderneming, en deze sprak goed Engelsch.

Kapitein Boersma begon met dezen Noor een gesprek en zoo vernam Frits allerlei merkwaardige bijzonderheden van de vischvangst en de vischdrogerij.

Heel veel haring wordt er in Noorwegen gevangen in den tijd, dat groote scholen van die visschen de fjorden binnen zwemmen en die visch is uitstekend, maar toch kan de Noorsche haring niet wedijveren met de Hollandsche.

„Het ligt niet aan de visch zelve," zeide de Noor, „maar aan de weinig zorgvuldige toebereiding. Wat dit betreft, kunnen mijn landgenooten nog heel wat van de uwe leeren."

De uitvoer van stokvisch is eveneens een zeer belangrijke bron van bestaan. Het vleesch van de visch wordt gedroogd en dient dan als voedsel voor menschen, maar dit is het eenige niet. Uit de zwemblazen bereidt men lijm, uit de lever komt traan; de koppen worden gemalen en dan gebruikt als veevoeder, daar de grond in Noorwegen niet genoeg voer voor den veestapel oplevert; en de verdere afval levert uitstekende mest.

Frits vond het zeer belangwekkend, maar toch ook, dat het heele vischbedrijf een buitengewoon onaangenamen geur afgaf.

Op enkele passen van de plaats, waar de „Holland" gemeerd lag, stond een huis, blijkbaar een winkel, maar merkwaardig was, wat daar al niet verkocht werd. Er was van alles: meel en levertraan, drinkkannen

85 -

Sluiten