Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier in de fjorden durfde kapitein Boersma het roer aan zijn neef nog niet toevertrouwen.

De reis ging nu eerst tusschen het eiland Vaagsö en het vasteland door de Ulvesund en daarna kwam men in de open zeearm Sildegabet, welke naam „Haringbek" beteekent. Het water werd hier al woeliger en na korten tijd slingerde het schip hevig.

„Dat is hier bijna altijd zoo. Rustig is de zee hier nimmer," mopperde de loods.

Zij voeren nu namehjk het schiereiland Stattland om, dat bijna dertig K. M. ver in zee vooruitsteekt en de kust van dit schiereiland is berucht om haar stormen.

Met bergen van vele honderde meters hoogte verhief het zich uit zee. ,

Frits mocht nu weder aan het roer en de matroos Gerrit zou dan in de kombuis alvast het vaatwerk gaan wasschen voor den matroos-kok, die shep en 'smiddags zou Frits dan een paar uur den matroos-kok aflossen, als deze de wacht had.

Frits had nu al heel wat slecht weer medegemaakt, maar toch gevoelde hij zich, nu het schip weer zoo zwaar shngerde, niet heelemaal lekker. Niet, dat hij onpasselijk was, maar hij werd zoo slaperig.

„Ja jongen," zeide zijn oom, „dat hebben oude zeelui ook nog wel. De menschen aan wal denken, datje, als je eenmaal goed zeeziek bent geweest, er geheel en al van af bent, maar dat is niet waar. Bij slecht weer worden de meesten toch nog slaperig en lusteloos, maar het is nu juist goed, dat je wat te doen hebt. Nu kan je er niet aan toegeven."

Er stond een frissche wind, maar toen men eenmaal het schiereiland Stattland achter den rug had, werd

Sluiten