Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 184 —

tier loopen over een zandig pad van het eenzame huis op Kaap Intsy.

Eigenlijk was het veel eer een gehucht dan een dorp. Het was een kleine verzamehng houten huizen dicht aan de kust. Hier en daar lag een visschersboot op het strand, hoog opgetrokken.

De huizen waren stevig, maar niet geverfd, zoodat zij een vrij onoogehjken indruk maakten. Achter alle vensterruiten zag Frits gezichten, die de vreemdelingen nakeken en de kinderen stormden naar buiten, bleven eerst schuchter op een afstand, tot er één moed vatte en den Nederlanders een hand kwam geven, .tegelijk beleefd zijn leeren mutsje afnemend.

Frits moest er om lachen. „Goeien dag," zeide hij tot den knaap, terwijl deze hem de hand drukte en het jongetje, dat dadelijk begreep, dat dit zeker in die vreemde taal een groet moest beteekenen, zeide hem na: „Goeien dag."

De kapitein, meester Monté en Frits lachten er hartelijk om.

Toen de andere kinderen dit gezien hadden, vatten ook zij moed, kwamen ook een hand geven en bleven de vreemdehngen op de verdere wandeling door het gehucht omstoeien.

Uit een der huizen kwam een oude vrouw op de Nederlanders toe en noodigde hen met handgebaren uit bij haar binnen te treden.

Natuurhjk werd aan die vriendelijke uitnoodiging gevolg gegeven.

Van binnen viel het huis zeer mede. Het was er zoo zindelijk, dat een Nederlandsche huisvrouw uit het properste deel van ons land,' er zich niet voor had behoeven te schamen.

Sluiten