Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 200 —

Waar hij heen was, wisten de Nederlanders niet. Wel wisten ze nu, dat de verlossing uit hun verlatenheid ook dien dag niet zou komen.

HOOFDSTUK XVIII.

Sneeuw. — Dreigend gebrek aan mondvoorraad. — Hoe de commissaris geschoren werd. — Een matroos'is geen barbier. — Het plan voor een gewaagden tocht door het onbekende land. — De stoker Nadorst schijnt vreesachtig. — Een wandeling die meeviel. — Nieuw misverstand. — Een goed maal en een slechte stemming.

De winter was gekomen, plotseling, na den storm; de Russische winter, die duren zou tot het wonder der nieuwe lente zijn zegenenden adem zou doen waaien over het barre land.

De winter was gekomen en het sneeuwde.

Geraischkjos en onophoudehjk vielen de witte vlokken en maakten de verlatenheid nog benauwender daar om het eenzame huis op Kaap Intsy, dat verloren scheen in die wijde witheid.

Na het dagenlange lawaai van den storm, na de wilde heftigheid van den orkaan bracht de sneeuw een doodsche stilte en rust en van buiten drong die doodschheid binnen in het huis, waar de schipbreukelingen bijeen waren en wachtten, altijd wachtten.

O, die wanhoopsverlatenheid van Kaap Intsy! De eenzaamheid heerschte er oppermachtig.

De kapitein was weg met den commissaris en de anderen begrepen niet waarheen, maakten zich wel een weinig ongerust. Wel meenden ze begrepen te hebben, dat hij 's avonds terug zou keeren, maar zeker waren ze daar niet van. Zoo dikwijls immers hadden

Sluiten