Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

„O ja, wat de werkzaamheden betreft, zou ik wel kunnen..." sprak Marten peinzend, hoewel zijn oogen een wijle geflikkerd hadden van genoegen, toen hij de uitnoodiging vernam. Hij herinnerde zich nog als den dag van gisteren, hoe hu' het vorige jaar ook met Heer Jan Gerritsz uit vogelvangen was geweest op Ruichoort, en hoeveel genoegen hij toen had gehad.

„Welnu, wat schort er aan?" vroeg de reeder lachend. „Je staat daar net te kijken, of je je laatste oortje versnoept hebt. Heb je misschien geen lust in de jachtpartij?"

Geen lust? — Dat zou ik meenen...!" riep Marten uit.

„Of wil Vader het je misschien niet toestaan?"

„Ook wel," hernam Marten. „Maar ziet u, zooeven zag ik Hopman Wybe Sjoerds met zijn vendel Saardam verlaten, zoodat wij elk oogenblik een inval van de Spanjaarden te wachten hebben. En nu vrees ik, dat Vader..."

„Kom, wat een dwaasheid!" viel Jan Gerritsz in. „Hopman Wybe Sjoerds is naar Alkmaar vertrokken, zonder daartoe bevel te hebben ontvangen, en je zult eens zien, hoe gauw hij weer hier terug is. Denk je, dat hij voor zijn pleizier aan de galg wil komen? Ze zullen het hem in Alkmaar welk duidelijk maken, dat het zu'n plicht is, hier te blijven. Ik heb het hem zelf ook gezegd, maar hij wilde naar mij

Sluiten