Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

opgejaagd. Ik geloof stellig, dat wij ginds een betere vangst zullen hebben."

Deze raad werd opgevolgd, en toen men een diepen inham bereikt had, werd de schuit daar ingeroeid.

„Niet te dicht aan den kant, Marten," zei Heer Jan. „Ha, wat is het hier een uitstekend geschikt plekje. Hoor je ze al snateren, Marten?"

„Of ik!" riep Marten met gedempte stem, om de vogels niet te verjagen, want het was een schuw volkje, dat bij het minste gerucht de vleugels repte en een goed heenkomen zocht. Ook nu hield het gesnater al spoedig op.

„Ik zal tusschen het riet roeien. Kijk, daar kan de boot mooi liggen, en we zijn er zoo goed als onzichtbaar."

Toen de gewenschte plaats bereikt was, werd het schuitje vastgelegd, en Marten haalde van onder het voorbankje een paar lange lHnen te voorschijn, en een bakje met kleine vischjes, die hij 's morgens met een schepnet had gevangen. Heer Jan en hij namen elk een van de lijnen, en bonden aan het uiteinde een vischje, dat wel dood, maar toch nog versch genoeg was, om voor de watervogels een lekker hapje te zijn. De vischjes werden daarna te water geworpen, waar zij bleven drijven.

Een zacht windje rimpelde de oppervlakte van het water tot kleine golfjes, die de beide vischjes

Sluiten