Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

101

„Govert 't Hoen, — u kent hem ongetwijfeld wel." „Govert 't Hoen, — of 't Oude Hoen, zooals hu' gewoonlijk genoemd wordt. Zou ik dien niet kennen ?" lachte de waard met een knipoogje. „Wel jongen, 't is een van mijn beste vrienden, en een dappere kaerel bovendien. Als er één is, die een hekel heeft aan de Spekken, dan is hij het! Welzoo, is 'tOude Hoen een neef van je?"

„Een verre neef eigenlijk, Slob, maar hij kwam nog wel eens bij ons op de hoeve. .."

„Nu, dan heb je groot gelijk, je allereerst naar hem te begeven, 't Is een verstandig man, — een man, voor wien ik het meeste respect heb, en 't zou inderdaad niet onmogelijk wezen, dat Anna naar hem gevlucht was. — Zeker, best mogelijk, en al is dat niet het geval, dan zal hij je toch ten beste raden. Ik geloof, dat het een heel wijs besluit van je is, en ik mag er je niet van terughouden. — Ik heb gezien, dat je schuitje bij mij aan den steiger ligt. Ik zal met je méégaan tot aan den Overtoom, om het over den dijk te brengen."

Marten stond op en nam afscheid van zijn gastvrouw, wie hij zijn hartelijken dank betuigde. Maar daar wilde zij niet van hooren en zij deed hem tot aan de deur uitgeleide. Slob en hij brachten het schuitje naar den Overtoom en wonden het met vereende kracht over den dijk in de Westzaner Gouw. En weldra was Marten weer alleen.

Sluiten