Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

105

zoowaar Marten Florisz ! Kom nader, neef. Je brengt zeker slechte tijding, niet waar?"

„'t Kon niet slechter, neef," was het antwoord van Marten, terwijl hij 't Oude Hoen een hand gaf. Deze was een klein manneke, maar hij had breede schouders en gespierde armen, en zijn gelaat toekende zooveel verstand, oprechtheid en zielenadel, dat het onwillekeurig vertrouwen inboezemde. Hij schudde Martens hand recht hartelijk, en viel hem in de rede met te zeggen:

„Wij weten er alles van, mijn jongen, — en Geerte-nicht en ik hebben je komst verwacht. Maar zeg me — waar is Anna ? Of hebben die verwenschte Spekken ook haar...?"

„Zij is gevlucht, neef, maar ik weet niet waarheen, en zoek haar overal. Ik had zoo gehoopt, dat zij haar weg naar hier zou genomen hebben..."

„Wij hebben haar niet gezien," viel Geerte in. „Maar ga zitten, Marten, en vertel ons nader, wat er gebeurd is."

Marten voldeed aan dezen wensch, en 't spreekt vanzelf, dat hem bij dat droevig verhaal de tranen telkens in de oogen opwelden.

De mannen hoorden hem sprakeloos aan, maar bij het verhaal van de gepleegde wreedheden nepen zrj woedend de vuisten samen, en hun lippen prevelden woorden van wraak. Zij hadden zeer met den ongelukkigen knaap te doen,

Sluiten