Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

geld, dat zün vader *s avonds vóór den moord onder den haard verborgen had. In al zijn ellende had hij daar nog niet aan gedacht, maar nu nam hij zich voor, er zoo spoedig mogelük met zijn neef over te spreken.

Intusschen nam de brand te Saardam nog steeds in hevigheid toe, en niemand van de toeschouwers twyfelde meer, of het gansche dorp werd met den grond gelijk gemaakt.

„Ik zie mannen naderen, dwars door het land," riep 't Jonge Hoen plotseling uit. „Zij hebben polsstokken bij zich, en springen over de slooten. Weldra zullen wg dus weten, wat er ginds gebeurt."

„Ja, ik zie ze ook!" zei Cleynsorg. „'t Moeten vluchtelingen zijn!"

Met spanning werd de nadering dier mannen tegemoet gezien, 't Jonge Hoen stapte in de boot, en riep Marten toe:

„Ga je meê? Straks komen zij voor breede waters, waar hun verrejagers hun van geen dienst kunnen zijn. Laten wg ze met de schuit tegemoet gaan." Marten was dadelijk bereid, en 't Oude Hoen zeide j „Ja, laten wy allen in de booten gaan en Saardam zoo dicht mogelijk naderen. Wie weet, hoevele menschen wy van een anders wissen dood kunnen redden."

„Ja, in de booten! In de booten!" riep men van alle kanten. En weldra staken de mannen van wal, maar, — met het vuurroer over den schouder, en

Sluiten