Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

„Zij worden achtervolgd door de Spekken ! Roeien, mannen, zoo snel je kunt, opdat wy niet te laat komen! Zeker denken die roovers, dat de menschen nog geld of kostbaarheden met zich medevoeren ..."

De Vrijbuiters spanden al hun krachten in, en de booten vlogen pijlsnel door het water. De gesloten lippen, de fonkelende oogen gaven duidelijk genoeg te kennen, dat het eiken Spanjaard, die in hun handen mocht vallen, kwalijk zou vergaan.

„De vijanden naderen snel! Zij hebben de vluchtelingen brjna bereikt!" riep Aelbert uit, terwijl hü zich het vuurroer van den schouder nam en gereed stond om aan te leggen. Zyn lont brandde reeds.

„Help! Om Godswil, help!" klonk het hun toe, en het gejammer der kinderen maakte hun het bloed aan 't koken.

„Legt aan wal!" beval 't Oude Hoen, en op 't volgende oogenblik schuurden de booten tegen den oever. Zij hadden de vluchtelingen thans bereikt, en nauwelyks waren de Vrybuiters, met het vuurroer in de eene en de brandende lont in de andere hand aan wal gestapt, of de vluchtende vrouwen en kinderen bestormden in hun doodelijken angst voor de naderende vyanden de booten.

Marten en Aelbert wierpen de verrejagers op het land, opdat hun vrienden zich daarmede zouden kunnen wapenen, als de vuurroeren afgeschoten waren. Tyd om ze opnieuw te laden zou hun wel ontbreken.

Sluiten