Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

dat er verraad in het spel is, welnu, dan springen de mannen direct te voorschijn, nemen hem zijn rapier af en grijpen de riemen, om zoo gauw mogelijk weg te komen. De vijanden hebben maar niet dadelijk een boot bij de hand, om hen te kunnen vervolgen ..."

„Dat is waar, — maar zij hebben musketten en kunnen dus schieten," viel Aelbert in. „Doch dat doet er niet toe. Ik krijg zin in het zaakje en waag het er op. — En jij, Marten?"

„Dat behoef je niet te vragen!" riep deze uit. „'t Is mijn eigen plan, dus 't spreekt van zelf, dat ik meedoe. Wanneer zal het gebeuren?"

„Hoe lang is het geleden, dat de Overste *t laatst visch van jelui gehad heeft?" was de wedervraag van 't Oude Hoen.

O, wel een week," was het antwoord. „Hij heeft'bepaald wel weer trek in een lekker zoodje ..."

„Dikke paling," vulde Jan Slob lachend aan. „De brave man zal ditmaal over dedikte geen klagen hebben."

„Ik wil wel voor paling spelen," zei Claes Kees Symensen. „En ik beloof den Overste, dat ik moeilijk te verteren zal zijn. Kom, Jan Slob, geef mij nog een kan bier."

„En mij ook!" riep Jan Walichs uit. „Ik houd je

gezelschap, Claes!"

„Ook in een tobbe? Uitstekend."

^Twee is genoeg, vrienden," zei 't Oude Hoen. „Meer dan twee zou direct de aandacht trekken.

Sluiten