Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

151

je het onmogelijke van haar vergt. — Willen we de netten nu weer inhalen? De visch heeft tijd genoeg gehad, om er in te zwemmen."

Zoo werd gedaan, en de vangst was niet onvoordeelig. Enkele karpers, een paar palingen en wat witvisch werden opgehaald en in de kaar gedaan. Daarna werden de netten weer uitgezet, en roeiden de jongens naar een andere plaats, om ook daar den oogst binnen te halen. Zoo bleven zij den geheelen nacht bezig, met het gevolg, dat zij vroeg in den morgen naar de herberg van Jan Slob konden terugkeeren in het bezit van een ruime vangst, die menigen lekkerbek kon doen watertanden.

De Vrijbuiters waren daar reeds büeengekomen, in afwachting van de tijding, die de knapen zouden brengen. En toen zij vernamen, dat de vangst voorspoedig was geweest, meesmuilden zij in hun ruwen baard en wreven zich de handen van genoegen bü de gedachte aan de poets, die zij den Overste gingen spelen. En Jan Slob lachte luidkeels en trommelde genoeglük met zün vingers op zqn dikken buik. Hü had schik in de zaak.

„Kijkt eens hier, wat prachtige tobben!" riep hij uit. „Daar kan Claes Kees Symensen zoo gemakkelük in liggen, of hü in Abrahams schoot lag. Deze tweede is wat kleiner, en zal wel geschikt zün voor Jan Walichs. Nu, — wat zeg je er van? Heb ik niet goed gezorgd?"

Sluiten