Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

„Als je al die verhalen maar gelooft!"

„Kom, kom, er zal toch wel iets van aan wezén," zei de koopman en ging dadelijk met Uilenspiegel over de reis spreken.

Deze had er niet 't minste bezwaar tegen. Vol ijver won hij dadelijk den reiswagen nazien. —

„Ja, hij moet eerst nog goed gesmeerd worden," zei de koopman; „zorg er maar voor." Toen gaf bij hem geld om 't benoodigde er voor te koopen.

Tyl Uilenspiegel bleef den heelen nacht op; hij had 't o, zoo druk met 't smeren van den wagen, want, verbeeld je, niet alleen de assen, maar 'theele rijtuig kreeg een beurt, van buiten, zoowel als van binnen. De kussens werden nog wel 't royaalst behandeld.

Den volgenden ochtend reed hij al bijtijds voor. De koopman en een zijner vrienden, die ook naar Goslar moest, stapten in. Zij waren in een opgewekte stemming en gingen recht gemakkehjk op de kussens zitten. Vroolijk het Uilenspiegel de zweep klappen.

Na een poosje maakte 't rijtuig zoo'n scherpen hoek, dat de vriend van den koopman met de handen op de bank moest steunen om er niet af te vallen.

„Hè, wat kleverig; wat is dat?" riep hij uit en keek toen onthutst naar zijn pikkerige handen.

De koopman voelde ook eens voorzichtig op zijn bank — 't was er al precies eender mee gesteld. De heeren stonden op en zagen toen, dat de zaak nog veel erger was, dan zij eerst gemeend hadden. Ze riepen Uilenspiegel toe direct stil te houden.

Toen moest hij van den bok komen en 'tzou er zeker

Sluiten