Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6

Robin: „Hier is 't heerlijk, nietwaar heer? En nu zult u spoedig Robin Hood zien. Als ik op mijn hoorn blaas, weet ik onmiddellijk of hij in de nabijheid is."

Lustig liet hij de hoorntonen klinken; dadelijk kwamen uit het dichte woud zijne vrienden aansnellen en omringden hun meester en den rechter.

„Wel," vroeg Kleine Jan, „hoe is 't gegaan in Nottingham? Heb je je zaakjes verkocht?"

Robin lachte, ,,'t Ging prachtig," vertelde hij; „en in ruil voor mijn koopwaar, breng ik den opperrechter mee."

Kleine Jan maakte een buiging. „Wees welkom, edele heer," zei hij spottend.

De rechter stond daar bleek en bevend van angst voor al die sterke mannen. Hij zou er nu wel honderd pond voor over hebben gehad, als hij Robin Hood maar niet had gezien.

„Had ik dat geweten," mompelde hij woedend, „dan zou je nooit meer in 't bosch zijn teruggekomen!"

„Dat wil ik graag gelooven," antwoordde Robin lachend, „ik dank God, dat ik hier ben. U kunt terugkeeren, maar omdat u Robin Hood hebt gezien, laat u hier uw paard en uw beurs met goud. Want veel van dat goud hebt ge armen afgenomen. Maar uwe vrouw is lief en goed, haar wil ik geen verdriet doen; daarom overkomt u niets ergers, dan dat gij, die zoo trotsch te paard hier kwaamt, te voet naar huis kunt gaan. Aan uw vrouw zend ik dezen witten telganger, die sneller vliegt dan de wind."

De rechter wist niets Je antwoorden; hij nam den prachtigen telganger bij den teugel en begon den terugtocht. Zoodra hij uit het gezicht was van Robin Hood, beklom hij het witte paard, en reed zoo tot yoor zijn huis.

Sluiten