Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

In de hal kwam zijne vrouw hem tegemoet. „Wel," vroeg ze, „heb je Robin Hood gevangen genomen?"

Maar de rechter snauwde woedend:

„We hebben hem hier gehad, en ik liet hem vrij. O! daar kom ik nooit overheen! Mijn beurs heeft hij me afgenomen en mijn paard, de schurk! Maar aan jou zendt hij een witten telganger."

Toen begon de vrouw te lachen. „Dan heb je hem de pannen betaald, die hij mij gegeven had," zei ze.

Intuschen vroeg Robin Hood aan den pottebakker, hoeveel zijn wagen met potten en pannen waard was geweest, en gul betaalde hij hem driemaal de gevraagde som, en gaf hem zijne kleeren terug.

„Kom je ooit weer in het groene bosch, dan vindt je een gul onthaal bij Robin Hood en zijne vrienden," zei hij nog tot afscheid.

HOOFDSTUK III.

Het was Pinksterzondag, een prachtige Meimorgen. Het bosch begon te ontluiken, de vogels zongen hun blijden lentezang en herten en reeën draafden vroolijk met hunne jongen langs de paden.

De vrienden van Robin Hood waren ook vroolijk gestemd, en al vroeg schalden hunne liederen door het dichte woud. Vooral „Kleine Jan" lachte en schertste en voelde zich recht gelukkig in de vrije natuur.

Sluiten