Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

De oude man vertelde: „In de stad zullen drie jonge mannen ter dood gebracht worden."

„Wil je je kleeren ruilen voor de mijne?" vroeg Robin Hood. „Ik geef je dertig zilveren schellingen toe."

De oude man dacht, dat Robin hem voor den gek hield. ,,'t Is niet goed," zei hij, „den ouderdom te bespotten. Uw kleed is mooi en goed, zoudt ge dat willen ruilen voor mijn versleten plunje?"

„Kom, ouwe," hield Robin vol, „vraag maar niets, maar ruil met me. Hier heb je twintig blanke goudstukken om met je vrienden te deelen."

Toen gaf de oude man toe.

Robin zette den ouden valen hoed op, die diep over zijn gezicht hing, deed den gelapten mantel om, waar stukken van allerlei kleur in waren gezet, en nam den bedelzak in de hand.

Toen trok hij den broek aan van den oude, die ook gelapt en vaal was, de kousen met groote gaten, en de gelapte schoenen.

Bijna moesj: hij lachen, en tegelijk dacht hij: „de kleeren maken den man."

Toen hij bij Nottingham kwam, liep hij zingend voort. Al spoedig kwam hij den opperrechter tegen. Den hoed diep in de oogen getrokken en gebogen loopend ging Robin naar hem toe.

„God zegene u, heer!" zeide hij. „Wat geeft u een ouden man, die het ambt van beul voor u wil waarnemen vandaag?"

„Een nieuw stel kleeren en dertien stuivers," sprak de rechter. Robin draaide zich om en nam een hoogen sprong over een steenblok.

Sluiten