Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33

nacht, altijd in de hoop rijkdommen te zullen winnen. Maar hij verliest voortdurend.

Door geheimzinnige toespellingen op eene winstgevende onderneming heeft hij geld te leen weten te krijgen van Quilp, een rijken woekeraar. In Quilp heeft Dickens ons een monster geteekend: een dwerg, afstootend van uiterlijk, en innerlijk een monster van wreedheid, die geniet als hij anderen kan doen lijden.

Dickens gaf graag zulke figuren: heelemaal slecht ot heelemaal goed; en al zeggen we het eene oogenblik bij. het lezen: „zulke menschen zijn er niet", dat vergeten wij het volgende oogenblik weer, omdat het genie van den schrijver zijne figuren zoo boeiend maakt. ;

Quilp heeft Nelly's grootvader geld geleend, in het geloof, dat er werkelijk op een of andere manier iets te verdienen was; als hij er achter komt, dat het geld gewoon verspeeld is, barst hij los in woede en haat, vooral omdat hij zich zoo heeft laten beetnemen. Hij overvalt den ouden man, die, al overspannen door het spel, zóó schrikt, dat hij in ijlende koortsen vervalt.

Terwijl hij doodziek ligt, neemt Quilp met zijne handlangers bezit van het huis en alles wat in den winkel is; hijzelf slaapt in Nelly's lieve kamertje, op haar kinderbedje, terwijl Nelly doodsangstig haar grootvader oppast.

Als ze hem langzaam ziet herstellen, maakt ze plannen voor de toekomst: zoodra grootvader beter is, zal ze met hem wegtrekken, ver van Quilp, ver van de groote stad, ver van de vreeselijke verleiding, van het spel.

Ze spreekt er den ouden man over. Nu is zij niet meer het zwakke kind, ze is gegroeid in kracht, en moedig zal zij haar half verkindsten grootvader geleiden.

Sluiten