Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

Vrouw Staessen liet hem in de kamer; het meisje zat schokkend te kantwerken.

„A wel, Nannette! en waarvan is het, dat gij mij den kader hebt thuis gezonden?"

't Meisje begon harder te schokken, doch zei niets. Mong wachtte lang tevergeefs op antwoord.

„Spreekt een woordeke, Nannette, daarmee ik wete, waarvan gij alzoo gedaan hebt 't En is niet fraai gedaan; en min fraai als gij toe mij niet en spreekt Hebben ik u leed gedaan, zoo zegt het!"

't Meisje verloor al het rood uit haar wangen, en schokte en werkte nog harder.

Nu mengde zich de moeder er tusschen.

„Nette! ge kunt doch zeggen, gij, waarvan gij het gedaan hebt; en is 't dat gij zwijgt 'k ga ik het zeggen!"

Nette zag nu wit en haar lippen beefden. Dan zei ze in eens bijtend:

„'k En wil nieten van doen hebben met ketters, die 'nen pastor voor 't tribunaal doen komen en doen blamieren in de gazetten. Gaat maar zeere vors, gij! en houdt uwe kettersche palullen voor u zelf!"

Edmond stond beteuterd nu eens de dochter, en dan weer de moeder aan te kijken.

„Maar — zei hij — 't en is ik niet, die 't gedaan hebbe 1"

„Ba nee 'g, 't en is gij niet; maar al gelijk zijt gij de vriend van den dien, die de pastors voor 't tribunaal doen komen en ze blamieren!"

„A wel, 'k moeten ik mij aan de wet houden; en de pastors moeten heur ook aan de wet houden. Dan en valt er nieten te blamieren!"

„Aan de wet houden? de wet? 't Zijn de ketters en Geuzen die slechte wetten maken, daarmee ze entwat kunnen vinden om de pastors schande aan te doene!"

Edmond zweeg, want wat Nannette nu gezegd had, kon hij niet weerleggen, omdat hij niet wist, of de Katholieken of de ketters de wetten in België maakten. Daar moest hij 't eens met den baas over hebben: die zou 't

Sluiten