Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

dubbelde energie weer te kunnen beginnen. Doch Vermeule had er genoeg van.

„Nu gaat het Zondag uw toer zijn!" zei hij's Maandags tot zijn knecht

„A wel, baasl ik ga het nu probieren; maar ik ga heelegansch vrijgelaten moeten zijn!"

„Ge meugt doen, al wat je wilt; maar 't zal moeten beter gedaan zijn als van mij!"

En Edmond werd vrijgelaten: hij alleen hield toezicht bij de deur. En weer kwamen de jongens, waaronder er waren van twaalf, maar ook van 17 en 18 jaar. Zoodra hij ze zag, ging hij buiten wandelen en liet hen doen, zoo lang ze het niet te bont maakten, 't Scheen haast of 't hem niet aanging; maar zoodra ze op eenigen afstand met steenen naar de ruiten begonnen te werpen, ging hij kalm naar de daders toe; doch zij dropen af.

Den anderen dag lachte Vermeule hem uit. „'t Gelijkt, of gij met de sloebers meegedaan hebt G' en hebt ze niet verjaagd, zoo ze doen, wat ze willen, 't Ware beter, had je in de kerke gebleven en nieten gedaan."

„Wacht een beetje, baas! Eén keer en is geen keer. Zondag toekomende, 't gaat dan gedaan zijn. Gij hebt ook twee keers dienst gedaan 1 W' en klappen niet wijder daarvan. We gaan 't Zondag zien, lijk wij 't met u gezien hebben!"

Goed, de baas zou er dan niet meer over spreken. Maar als zijn optreden niets gebaat had, wat kon het niets doen van Mong dan voor gevolg hebben?

Mong ging naar den Broeder Overste van 't klooster, vlak in de buurt van de Evangelische kerk. Zijn Zondagsche kleeren had hij aangetrokken. Even poperde hem het hart, als hij aangebeld had; doch zoodra werd niet opengedaan, of hij was bij vollen moed.

„Ik zou geerne een letje den Broeder Overste spreken!"

Hij werd toegelaten.

„Eh wel, vriend! wat belieft er u?"

Sluiten