Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXVII.

De predikant zat er soms over in, wat en hoeveel een Bijbelcolporteur voor Vlaanderen nu eigenlijk noodig had te weten. O, zeker, nooit te veel; maar — Edmond was geen studioos.

De Vries verzekerde hem, dat Mong door zijn lust, om het Evangelie aan allen te brengen, en door zijn aangeboren gevatheid, zijn gave, om gemakkelijk met menschen om te gaan, vanzelf reeds een uitstekend colporteur zou zijn. Stond hij, wat algemeene kennis betrof, zeer laag, zijn bekendheid met de Schrift woog daar zwaar tegen op. En hij kende zijn menschjes zoo goed als iemand. Toen Mong weer eens bij den predikant kwam om les, vroeg deze:

„D' Hope, wat denk je er van: zou je al haast niet genoeg weten voor Bijbelcolporteur?"

De oolijke leerling lachte even, hield een kort betoog, doorspekt met Vlaamsche geestigheid, en kwam tot het besluit, dat hij heel wel als Bijbelcolporteur zou kunnen worden aangesteld. Natuurlijk zou men hem wel eens iets vragen, dat hij niet wist, maar'al was hij zoo geleerd als meneere dominee zelf, dan zou hij toch nog op menige vraag het antwoord schuldig moeten blijven, en met nog heel veel en heel lang leeren veranderde de zaak dus geen zier. De predikant vroeg hem naar bewijzen voor de waarheid der H. Schrift, en verwachtte dat Mong die zou geven, zooals hij zelf ze hem had aangewezen. Doch hij scheen die öf vergeten te zijn, óf omgewerkt, óf voor nieuwe verruild te hebben. Zijn kleuren verried, dat hij

Sluiten