Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

267

van Johannes (Hfdst. 14) uit een klein boekje voorlas, Jezus' woorden:

Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij.

In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anderzins zou ik het a gezegd hebben; ik ga heen, om u plaats te bereiden.

En zoo wanneer ik heen zal gegaan zijn, en a plaats zal bereid hebben, zoo kome ik weder, en zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben.

En waar ik heenga, weet gij, en den weg weet gij.

Thomas zeide tot hem: Heerel wij weten niet,waar gij heengaat: en hoe kannen wij den weg weten?

Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven. Niemand komt tot den Vader, dan door mij.

Terwijl hij nu het boek geopend in zijn hand hield, richtte hij het woord tot de schare. Hij sprak heel eenvoudig en begon met te zeggen, dat hij de jongedochter, hier thans begraven, nooit had gezien, en dat ze nog nimmer in een Evangelische kerk was geweest. En indien ze dit had willen doen, zouden hare ouders het haar niet hebben toegelaten. Toch had ze op haar sterfbed met volle beslistheid en blijde zekerheid het uitgesproken, dat ze in Christus Jezus, den Zoon Gods, alles had gevonden, wat ze voor haar eeuwige zaligheid noodig had. Christus was voor haar het volkomen offer, dat aan 't kruis haar met God had verzoend, zoodat er niets meer voor haar te offeren viel, want Christus was het volkomen offer. Door Christus' lijden en sterven was ze ook van alle tijdelijke en eeuwige straf ontheven, zoodat er niets meer voor haar te lijden viel. Christus alleen had alles volkomen voor haar volbracht, en ze geloofde met zekerheid, dat Christus, haar Zaligmaker, haar terstond tot Zich zou nemen.

Voor Christus, den alwetenden Priester, had ze gebiecht,

Sluiten