Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

binnen enkele minuten zijn aandacht te trekken en hem zijn tent te zien verlaten, gewapend met een geweer, in de meening dat hij door wilde dieren werd aangevallen. Tot eigen schade moest ik ondervinden, dat men niet al te zeer op zijn natuurlijke talenten moet rekenen. Bij het afdalen van den Mariaberg had ik zeer duidelijk de tent van mijn blanken vriend onderscheiden daar aan den oever van de rivier tusschen het hooge riet verborgen. Ik had ze tot richtpunt genomen. Langzamerhand echter verloor ik de tent uit het oog, tot ik voor een soort van vijver kwam. De rivier lag nog ruim een kilometer verder, en de tent van mijn bootsman eveneens. Ik nam van alle zijden den vijver in oogenschouw en, eenigszins gerustgesteld, waagde ik het, daarin mijn voeten te zetten. Maar onmiddellijk voelde' ik me wegzakken in den modder, en nog spoediger trok ik mijn voeten terug dan ik ze er in gezet had. Ik stond hier wis en zeker voor een onoverkomelijke hindernis, die zich langs heel den berg uitstrekte.

Wat nu gedaan? Ik klom weer omhoog tot aan een punt vanwaar ik de tent van m'n ingebeelden redder zien kon. De tent was niet van plaats veranderd en de rivier evenmin. Toen zette ik een keel op waaruit alle mogelijke en onmogelijke klanken te voorschijn kwamen, zoo iets als men op den laatsten oordeelsdag te hooren zal krijgen. Ik schreeuwde het uit in 't Engelsch, in het Fransch en in het Eskimoosch. Maar helaas, in die woeste streken had mijn stem, hoe sterk overigens, niet meer uitwerking dan het gegons der muskieten die, niet in het minst ontdaan door het verschrikkelijk geluid, niet nalieten hun wreede aanvallen op mijn persoon voort te zetten. Slechts een in den vijver zwemmende eend, zeker in de meening dat ik 't op haar leven gemunt had, vloog op en kwaakte me spottend toe. Daarmee ging een uur voorbij. De tent van mijn vriend den walvischvaarder lag nog altijd in haar blank gewaad te midden der hoog opgeschoten riethalmen, de rivier eveneens en ik... ik stond aan den verkeerden kant. Daar ik inzag dat het nutteloos was mijn longen nog langer op de proef te stellen, zette ik me rustig neer, nog altijd in het gezelschap van de muskieten, gereed om teekenen van m'n aanwezigheid te geven, zoodra de walvischvaarder, zijn vrouw of een van zijn kinderen uit de tent zou komen. Dit was mijn eenige hoop.

Hoelang zou ik hier moeten wachten ? Ik kon daarop natuurlijk geen antwoord geven. Maar het beste was geduld te oefenen en

Sluiten