Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

hartstochtelijken uitval om in hem meer dan een gemachtigde van den Keizer of een hoffelijken gelei-jonker te zien.

Een haastige stap, een kort bevel aan de wachtenden buiten om weg te rijden, en graaf Auersperg stond aan den ingang, en het volgend oogenblik naast vader Hubertus, ontzet, sprakeloos bij het zien van de verandering in die weinige uren.

— De bode is al onderweg Ik heb allereerst daarvoor

gezorgd," fluisterde bij eindehjk, over haar heengebogen, langzaam en met nadruk.

Maar Roswitha was buiten bereik van woorden en bedoelingen. Zij staarde hem aan met den wilden blik der ijlenden zonder te zien of te begrijpen.

— Met zoo'n koorts, zonder vrouwelijke hulp; in een kamp en met een veldslag in 't vooruitzicht!" steunde vader Hubertus.

Hij kreeg geen antwoord.

— Dat is mijn werk.... van mij die haar wilde behoeden en bewaren voor alle kwaad. Haar die al zooveel te dragen had op te schrikken en te verontrusten! Onvergefelijk. Onvergefelijk," verweet zich Auersperg.

— Jonkvrouw Roswitha," fluisterde hij en zoo diep neergebogen dat zijn hoofd bijna naast het hare kwam, „jonkvrouw Roswitha...."

Vader Hubertus trok hem op.

— Verschaf hulp, graaf. Hier kunnen wij niet blijven. Ik heb mijn hef biechtkind nog geen oogenblik van haar leven ziek gezien. En zij is er geen die zich willoos overgeeft aan een voorbijgaande ongesteldheid. Klachten en woorden helpen niet. Verschaf hulp." Vrouwelijke hulp.

Hij duwde hem wat onzacht naar den uitgang. Auersperg schudde zijn hand af.

— Ik ga naar den Keizer. Mijn schildknaap bhj ft in de buurt voor het geval dat gij iets noodig mocht hebben. Alles wat mogehjk is zal gedaan, en vrouwelijke hulp gezonden worden, eerwaarde."

Sluiten