Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIV.

De felle noordwester gierde en zoog, en trok het gorcujn mee dat terzij van het raam in de diepe venternis hing.

Ridder Dagobert die uitstaarde in de lage grauwe lucht — een drijvende zee van wolken — stak werktuigelijk de hand uit om het te grijpen en naar binnen te halen.

Het was nu ruim negen weken geleden dat de beide hoofdleiders van den overval, waarvan hij het slachtoffer was geworden, hem dit vertrek hadden binnengeleid; ruim negen weken dat hij was weggerukt uit zijn medeleven met de groote gebeurtenissen die hij had komende gezien. Voor al dat drijvende, geweldige, lichaam en geest tot inspanning en verwerking dwingende, sedert dien niets dan de doffe werkeloosheid en de enge sleur van een bestaan dat geen bestaan voor hem was; niets dan verlammende onzekerheid omtrent alles waarin hij belang stelde, een levend begraven zijn achter de hooge binnenmuren van het diepe slotplein vóór hem.

Zijn kamer was weelderig ingericht, niet alleen voorzien van het noodige maar ook van het aangename. Een dik (tapijt bedekte het middengedeelte van den vloer; de groote tafel daarop had een kostbaar kleed. BVóór de schouw was een zwaar gebeeldhouwde zetel aangeschoven en daarvoor een kleine tafel. Het breede ledikant in den hoek droeg een last van zwellend bed, van kussens en kleurig overdek, het hooge dressoor naast de deur een keur van kannen en bekers en schotels. {Van de zoldering hing een ijzeren kroon met drie platte olielampen, waarvan de dikke vlaswiek iederen avond werd aangestoken. Zelfs werpspel en schaakbord ontbraken niet.

Een zonderlinge gevangenis.

Een bewijs dat rijn gevangenschap lang zou duren, had hij met onrust gedacht bij zijn binnentreden.

Sluiten