Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

275

dagen en geen der voorbijgangers kreeg iets te zien van de hooge gestalte van den gevangene.

Als de dienaars kwamen, vonden zij hem gebogen over het schaakspel dat al zijn aandacht boeide. Hij scheen doof en dood voor het geciruisch dat bij tusschenpoozen steeg tot dreunend rumoer, waarvan de weergalm hem zelfs bij gesloten vensters moest bereiken.

Maar in zijn nu ongestoorde eenzaamheid — zijn bezoekers waren niet weer gekomen — en ondanks dit willig prijsgeven van wat hem vergund werd te zien, volgde ridder Dagobert de verschillende aanvallen en bewegingen der belegeraars of hij er bij was. Zijn breede open schouw deed dienst als een .trechter van geluid.

Zij hadden geen tijd verloren laten gaan, de belegeraars!

Waarschijnlijk waren zij, beschut door den storm, onopgemerkt het slot genaderd, hadden de voornaamste of de eenige toegang bezet, het opgeëischt in naam van den Keizer en na de weigering zoo spoedig mogehjk den aanval begonnen.

Dat dreunende, lang uitgalmende stooten was het rammeien op valbrug en hoofdpoort; dat kortere en doffere het neerploffen van steenen op muren en daken. Dat er gestreden werd, fel en vinnig, zeide hem het alleen 's nachts rustend geloop en gedraaf op plein en in gangen. De blijden wierpen niet alleen zwaar neerploffende rotsblokken uit, zij slingerden ook steenen ombonden met brandende takkenbossen, pek en stroo en andere brandbare stoffen in den burcht. Hij hoorde het sissend neerkomen daarvan op de voor brand beveiligende en altijd vochtig gehouden huiden der daken.

Bij wijlen kwam tot hem stank van verpestend aas, zoo ras mogehjk door de burchtzaten opgenomen en verbrand op het binnenplein.

Hij leefde mee met die daar buiten, hij leidde den aanval en zag de bestormers.

18 R.

Sluiten