Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORSPRONG VAN DEN STAAT.

13

Brabant aanspraak als erven van de hertogen van Neder-Lotharingen, die het van het bisdom Utrecht in leen zouden hebben ontvangen; Hendrik I van Gelre, de zoon van Gerhard II en Irrningard, krijgt het van Brabant in achterleen bij zijn huwelijk met de Brabantsche hertogsdochter Agneta. In de 13de eeuw ronden de graven van Gelre hun gebied af door aankoop van daarbinnen besloten heerlijkheden als Groenlo, Dieren, Steenderen, de goederen van het Utrechtsche kapittel van Sinte-Maria tusschen Lek en Linge, de graafschappen Montfoort en Kessel bij Roermond. Een aantal andere vrije heeren worden genoodzaakt den graaf hun goederen op te dragen om ze van hem in achterleen terug te ontvangen. In 1247 ontvangt hij van den Roomsch-koning Willem II voor een geldsom de stad Nijmegen met haar gebied in pand; het was een oude keizerlijke palts (palatium, paleis) en van Karei den Groote af onmiddellijk onder den Keizer gebleven. Het pand is nimmer ingelost. In 1311 wordt de Veluwe door den bisschop van Utrecht aan Gelre onmiddellijk in leen gegeven. In 1334 eindigt de graaf een ouden twist met Brabant over het bezit van Heusden en Tiel; hij staat Heusden af maar behoudt voor altijd Tiel. In 1339 eindelijk, bij zijn verheffing tot hertog, worden hem in naam de sinds lang metterdaad uitgeoefende koninklijke rechten in zijn gebied afgestaan, en verder nog het rijkswoud tusschen Nijmegen en Kleef. Met dit al blijft Gelderland een der minst samenhangende leenstaten in deze streken: ettelijke vrije heerlijkheden liggen nog binnen 's hertogs gebied besloten.

Oude gouwnamen in de latere provincie Holland zijn o.a. Kinhem (Kennemerland), Rinlant, Masalant. Omstreeks 885 vinden wij een graaf Gerolf van Kennemerland met de kustverdediging tegen de Noormannen belast. Zijn zoon Diederik (Dirk) is de stichter der abdij Egmond. Hun goederen lagen meest om Haarlem. Een der opvolgers, Dirk II, verkrijgt in 985 van keizer Otto II groote bezittingen en rechten in Maasland en in Westfriesland (de eilanden die Kennemerland ten oosten en noordoosten omgeven); Rijnland moet reeds te voren in hun macht gekomen zijn. De rechten op Westfriesland zijn echter gemakkelijker te vergeven dan in bezit te nemen; de zoon van Dirk II sneuvelt tegen de Westfriezen, als hij ze wil onderwerpen. Van den naam Holland is dan nog geen.sprake; men vindt deze graven aangeduid als „graven, markgraven in Friesland" (comités, marchiones in Fresia);

Sluiten