Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

DE STAAT VAN KAREL V.

heer: de Blécourt, Heerlijkheden en heerlijke rechten, in Tijdsch. v. Rechtsgesch. I, II (1918—'20). - Vorming der territoriale staten: Vanderkindere, La formation territoriale des principautés beiges (Bruxelles 1902); Pijnacker Hordijk, De oudste graven van Wassenberg-Gelre (B. V. G. IV», 325); Oppermann, Untersuchungen uur Gesch. von Stadt und Stift Utrecht (Westd. Zeitschr. XXVII, 185; XXVIII, 155); van Bolhuis van Zeebürgh, Over de eerste graven van het Hollandsche huis (Leiden 1870); Gosses, Vorming van het graafschap Holland (den Haag 1915); Poelman, Verovering van het Merwedegebied door Dirk III (B. V. G. IV», 349). - „Comes Hollandiae": van den Bergh, Oorkondenboek I, 60. — Strijd over Zeeland: Kluit, Hist. crit. comitatus HoU. et Zeel. I2, excursus VII,; Berten, Hist. du Hen féodal entre la Flandre et la Zilande (Hand. Mij. v. Gesch. en Oudh te Gent, X, 75). — Opkomst der Bourgondische macht: Pirenne, Hist. de Belgique II, III (Bruxelles 1903 — 07). — Onderhandelingen te Besancon in 1447: Leroux, Nouvelles recherches cnhhues sur les relations politiques de la France avec l'Allemagne de 1378 d 1461 (Paris 1892), 204—209.

§ 2. Verhouding tot het Rijk.

De Nederlanden werden, met Franche Comté en Charolais te zamen, bij het verdrag des Keizers met de rijksstanden van 26 Juni 1548 te Augsburg, als één geheel, onder den naam van Bourgondischen kreits, aan het Duitsche Rijk verbonden.

Toelichting. — Aan den goeden samenhang der Nederlandsche gewesten ontbrak nog veel. Zoo waren Vlaanderen en Artois leenen van Frankrijk; al was de band niet sterk meer, men appelleerde b.v. toch nog van daar op het parlement van Parijs. Karei V wilde dit veranderd hebben : bij de verdragen van Madrid (1526) en Crespy (1545) werd de leenband losgemaakt. Beide graafschappen waren nu zijn volkomen onafhankehjk bezit.

Een andere zaak die regeling vereischte was de verhouding tot het Duitsche Rijk. Ontegenzeggelijk behoorden deze landen er toe, maar vanouds had het Rijk er weinig gezag doen gelden. In de latere middeleeuwen was het Duitsche Rijk niet veel meer dan een aardrijkskundig begrip; de vorsten, met name die aan de uiterste rijksgrens gezeten waren als de Nederlandsche, brachten er geen lasten aan op en bekommerden zich niet om zijn recht-

Sluiten