Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42

DE STAAT VAN KAREI, V.

zocht, en het niet verkregen hadden. Niet ongaarne stelden de particularisten het onder Karei V voor, alsof de voorrechten van Brabant op al de Nederlanden waren overgegaan. Inderdaad zijn zij door Maximiliaan, tijdens zijn gevangenschap te Brugge, algemeen gemaakt (16 Mei 1488), doch Maximiliaan was slechts voogd, geen landsheer, en de landsheeren hebben zijn daad nooit voor wettig erkend.

Bij hun verzet tegen de belemmerende privilegiën hadden de vorsten der latere middeleeuwen de rechtsgeleerde wetenschap op hun hand, zoowel de wereldlijke als de geestelijke (legisten en kanonisten). De codificaties van beide, Romeinsch en kanoniek recht zijn afkomstig uit den Romeinschen keizertijd, toen tegenover den éénen vorst alle onderdanen in dezelfde rechtsverhouding waren gekomen, geheel anders dan in de middeleeuwen. De aanrakingen tusschen verschillende deelen der maatschappij, die langen tijd, in plaats en stand van elkander onderscheiden, een afzonderlijk economisch en rechtsbestaan hadden geleid, werden met den dag talrijker; het oog ging open voor velerlei ellende die van de bestaande machts- en rechtsverbrokkeling het gevolg was. Het recht van den Romeinschen keizertijd trok weer de aandacht en werd bestudeerd, het eerst in Italië. In Frankrijk beginnen de gevolgen dezer studie zich te vertoonen al vóór 1300, bij ons omstreeks 1350. Haar eerste vertegenwoordiger van naam is hier Filips van Leiden. Zijn boek heet De Cura Reipublicae et Sorte Principantis (uitgaaf Molhuysen, 1900), en is tegelijk een merkwaardig voorbeeld hoezeer de studie van het klassiek-Romeinsche recht aan die van de klassiek-Romeinsche letterkunde en taalvormen is voorafgegaan: Füips van Leiden schrijft nog afschuwelijk Latijn. — Hij ontzegt den vorst het recht, privüegiën te geven die zijn machtsvolkomenheid afbreuk doen; zoo een voorganger ze gaf, moet hij ze vervallen verklaren: „principes habent aliqua iura quae a se abdicare non possunt, et hoe ut salvetur respublica, cuius salus consistit in potentia principis" (ed. Molhuysen, p. 3).

De tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten die Füips van Leiden beleefde, was zeer geschikt om dergelijke; meeningen bij hem tot rijpheid te brengen, en heeft daar ook toe bijgedragen. Ook in Vlaanderen vinden wij in denzelfden tijd dit vraagstuk behandeld, in een geschrift van een ons bij name onbekend gebleven jurist: Consultatio num princeps privilegia civitatibus in per-

Sluiten