Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STATEN.

49

2°. Bij het regelen der successie, als in 1416 door Willem VI, of in 1549 ter gelegenheid van de pragmatieke sanctie (blz. 27).

3°. Bij oorlog en vrede, doch alleen ter kennisgeving, en niet om hunne toesteniming te vragen. In tijden van groote machtsontwikkeling der Staten is dit wel anders geweest. Het GrootPrivüegie bepaalt (art. 19): slechts een bij goeddunken der Staten aangevangen oorlog legt hun eenige verphchting op, en dan nog aüeen binnen de perken van hun land. De latere vorsten hebben zich niet meer hieraan gestoord.

4°. Bij het maken van nieuwe en het veranderen van oude wetten, vooral die betreffende handel en nijverheid. Dit is gebruik; geen recht.

5°. Voor het toestaan van beden. Hier komen wij tot de voorname bevoegdheid der Staten. Zoo hun het recht niet ware toegekomen over de beden te beslissen, zou het bijeenroepen der Staten wel geheel in onbruik geraakt zijn. Wij bezitten de hollandsche grafehjkheidsrekeningen van 1316 en eenige uit het laatst der regeering van Wülem IV. Hieruit kennen wij de uitgaven der graven, welke bestreden werden uit de gewone bede (lente- en herfstbede, zie blz. 39, geheel traditioneel geworden) en uit de inkomsten van de grafehjke domeinen. De toenemende kostbaarheid der regeering en de verkwisting der domeinen maken het echter spoedig noodig, ook vrijwillige beden te vragen. De eerst bekende is van 1323. In het Groot-Charterboek komt het stuk voor waarbij Willem III den rijksten Zeeuwschen grondbezitter, den abt van Middelburg, dank zegt voor de bewilliging eener bede van vier grooten (/ 0.20) van den mete (een landmaat), „dat niet en es van ghenen rechte, maar van goeder jonste," vrijwillig toegestaan dus, behoudens al zijn recht. In een stuk van 1334 dankt Wülem III die van Rijnland en Woerden dat hij verkregen heeft „omme onser bede wülen ende niet van enighen rechte" twee penningen Hollandsen van den morgen. Later prees men Wülem III om zijn matigheid: „so echt was die heer so doghende, dat die bewisinghe Sijnre werken hem dede toegheven den naem van eeren, dat men niet goede grave Wülem."

De vorst wordt geacht niet meer te vragen dan dringend noodig is. Houdt hij zich hieraan, zegt Füips van Leiden, dan mag men hem de bede niet weigeren. Dit geschiedde dan ook weinig, en niet dan op grond van volstrekt onvermogen, of van bezwaar

Sluiten