Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

DE STAAT VAN KAKEL V.

te kunnen dragen. Deze vrijstellingen gaven aanleiding tot steeds ergerlijker wanverhouding. Zoo contribueeren blijkens de informacie van 1515 van de 17 hoeven te Heesbeen in het land van Heusden slechts de elf onaanzienlijkste, „tsurplus es heerlick, geestelicke ofte poorters goet, dat met hemluyden niet en geit"; te Voorhout dragen van de 40 haardsteden slechts 29 bij, „ende de andere zijn arm of eedel, die niet en geven". In deze omstandigheden werd door de dorpelingen zoowel als door de regeering het beginsel voorgestaan, dat de bede door het goed gedragen werd, zoodat schotbaar goed schotbaar moest blijven, onverechillig wie er eigenaar van werd. Reeds in een handvest van Willem III, in 1326 aan het Zandambacht verleend, vindt men dien regel uitgesproken. In 1328 nam Willem III tegen den voortdurenden toewas van het vrije geestelijk goed een maatregel, die in 1331 nog verscherpt werd: voortaan zou van nieuwe door de geestelijkheid aangekochte goederen evenveel betaald moeten worden als de vorige eigenaar gegeven had („in sulcker maniere dat men ons van den lande, dat sy copen sullen, sulcken dienst doen sal als men pleegt te doen» van onsen lieden van onsen lande''). Deze bepaling werd op den duur slecht nageleefd. Verder ging Karei de Stoute in 1475, die beval dat alle kerken, geestelijken, kloosters, gast- en godshuizen in Holland, Zeeland en West-Friesland staten zouden inleveren harer eigendommen, opdat zij naar gelang daarvan in de schatting zouden kunnen worden begrepen. Enkele gestichten hebben inderdaad zulke staten opgemaakt; de meeste zochten tijd te winnen, en na den spoedig gevolgden dood van Karei den Stoute is aan den maatregel geen gevolg gegeven. Karei V bepaalde in een plakkaat van 6 Juli 1515, dat de kloosters, godshuizen en geestelijke personen niet vrij zouden zijn voor door hen gebruikt ongeamortiseerd goed, en dat zij binnen drie maanden zouden moeten overleggen „hare brieven van admortisatie, die sy hebben van onsen voorders ende van ons, als van den bisschop van Utrecht ende van synen voorsaten, op peyne, indien sy des in gebreecke waren, dat dieselve goeden na den voorsz. rijdt gehouden sullen wesen onvry, als niet geadmortiseert". Voorts zullen geen nieuwe kloosters of godshuizen mogen worden opgericht, „dan bij octroy ende consent van ons ende van den bisschop", zal de adel alleen vrij zijn voor zijn leengoed, en wordt de vrijdom van poorters voor het buiten het stadsgebied gelegen goed vernietigd. Ook wordt er in bepaald

Sluiten