Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STATEN.

53

dat de omslag in de dorpen voortaan geschieden zal naar de „bruyckwaer", de huurwaarde van het land, en niet langer naar de oude morgentalen, „uytghedaen dijck-gelt, sluys-gelt" en andere dergelijke oude plaatselijke lasten, „die men schuldich is op te mergentale ornme te slaen". Bij plakkaat van 8 September 1518 werd dat van 1515 nog bevestigd.

Toch bleven de vrijstellingen nog zeer hinderhjk, zoodat b.v. Karei ze bij plakkaat van 2 November 1553 voor beden geheven in het belang der landsverdediging introk (zie vorige paragraaf). De groote edelen kwamen hiertegen in verzet. Over het geheel was het zeer moeilijk, de verrxmding zóó algemeen te maken en zoo hoog te stellen dat de opbrengst aan de stijgende behoeften der regeering voldeed. Men moest dus „andere wegen soucken", gelijk de regeering het zelf in 1542 uitdrukte; in 1550 heeft zij het voornemen gehad, een onderzoek te doen instellen naar den staat der vermogens zonder onderscheid van herkomst, maar zag er van af op advies van den Geheimen Raad; „il n'y a personne vivant, qui veulle déclarer au vray le fons de son coffre ne de sa substance,' quelque petit ou grands qu'elle soit." Echter werd naast de gewone bede nu dikwijls een tiende penning gevraagd van de inkomsten uit onroerende goederen, en werden gemeenelandsaccijnzen op bier en wijn geheven. Tot deze nieuwe lasten droegen allen bij, „geestelijcke ende werddlijcke, edde ende onedele, ende die in dé schildtalen niet gewoonlijck en zijn te contribueren". Filips II, die na zijn komst aan de regeering korten tijd een tegemoetkomende houding tegenover den hoogen add aannam, stond aan Oranje, Egmond en Hoorne weder vrijdom voor hun in Holland gdegen goederen toe. Zij drieën zouden anders ongeveer 1/ls van de gansche bede der provinde hebben opgebracht.

De Staten beschouwen zich ook als de voorstanders der algemeene vrijheid, op welke de plicht rust voor het behoud der privilegiën te waken. Zoo schrijven het de Staten van Holland en Zeeland aan die der overige provindën in 1573: „Gy zijt de Staten des Lands, dat is te seggen de voorstanders en beschermers van hare Vryheidt ende van hare Privilegiën, welcke gyhüden schuldig zijt voor God en voor alle menschen te verdedigen en te handhouden, so gy niet en wilt meineedig worden, want sulcx gyluiden de landen gesworen hebt, ende daerom zijt gy uit allen steden uitgeko-

Sluiten