Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

van Nassaü-Zuilenstein naar Woerden en verder naar Nieuwerbrug en de veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau naar Muiden.

Genoemde 5 punten teekenen in 't ruwe de linie af, zich uitstrekkend van de Merwede tot de Zuiderzee, tot welker verdediging men zich, althans voorloopig ging bepalen en die haar buitengewone kracht ontleende aan een in 't algemeen breede strook onderwaterzettingen.

Alvorens over te gaan tot de beschrijving van deze lijn van verdediging mogen hier nog eenige opmerkingen gemaakt worden omtrent de ligging en de gesteldheid van het terrein en de wateren van het HollandschUtrechtsche polderland in 't algemeen.

Beneden Wijk bij Duurstede aan de Lek en Ochten aan de Waal beginnen de landen lager te liggen dan de middelbare standen van de aangrenzende rivier, beneden Vreeswijk en Bommel zelfs lager dan de laagste standen op die hoofdrivier. Ook geheel Amstelland ügt lager dan de gemiddelde en zelfs lage ebbestanden van de Zuiderzee te Muiden. De lijn van A. P. (d. i. in 't ruwe de gemiddelde hoogte van de aangrenzende Noordzee) loopt over Gorinchem en Ameide t. W. van Utrecht om en dan bij Maarsen de Vecht snijdend op ongeveer een uur afstand t. O. evenwijdig daarmee tot de Zuiderzee. Van die lijn daalt het HollandschUtrechtsch laagveengebied langzaam naar het Westen tot de duin- en geestgronden, grootendeels liggend 1 a 2 M. beneden dat vergelijkingsvlak.

Waterkeeringen, n.1. de duinen langs de Noordzee en dijken langs de groote rivieren en de Zuiderzee—langs deze laatste alleen afgebroken door de kleine diluviale verhevenheid van den Muider berg —, moeten natuurlijk te allen tijde dit gebied tegen het omringende water van de zee en de groote rivieren, het „buitenwater", beschermen. Daarbij valt echter in het oog te houden, dat in 1672 dat buitenwater op drie punten nog dieper landwaarts in drong dan thans, dus ook ter weerszijden door hooge dijken ingesloten.

1 °. De Linge stroomde nog te Gorinchem geheel vrij af in de Merwede, zoodat eb en vloed (te Gorinchem nu gem. + 1,64 en + 0,71 N.A.P.) nog ver opwaarts waarneembaar waren.

2°. De Hollandsche IJsel was nog niet zooals na 1854 boven Gouda afgesloten, maar geheel open tot den dam bij het Klaphek, die hem aan het boveneinde van de Lek scheidde. De getijen werkten er in van beneden tot even boven Montfoort.

3°. De Vecht was niet te Muiden met een zeesluis gesloten zooals nu, maar beneden Nichtevecht door den Hinderdam met sluis, waaraan ter weerszijden de Vechtdijken langs het open gedeelte aansloten.

Het onderwaterzetten nu van deze landen kan op twee wijzen geschieden.

Ten eerste door openingen te maken in een buitendijk, waardoor dan

Sluiten