Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

van den Graaf van Königsmarck. Toen deze vernam dat de Franschen in aantocht waren, deed hij zijn troepen terugtrekken naar de Goudsche sluis en naar Alfen en gelastte den kolonel Pain et Vin eenige troepen van de Goudsche sluis en daarna ook eenige van den post te Nieuwerbrug, waarover hem het bevel was opgedragen, naar Zwammerdam te brengen. Maar toen Pain et Vin met deze laatste te Zwammerdam aankwam, waren de Franschen reeds meester van het dorp en in plaats van naar zijn post te Nieuwerbrug te gaan, trok hij terug op Gouda, van waar hij den volgenden dag (29 Dec.) de nog te Nieuwerbrug achtergebleven bezetting afhaalde en naar Gouda deed vertrekken.

Zwammerdam was intusschen ten prooi aan brandstichting en allerlei beestachtigheden en wreedheden die de Franschen er bedreven.

Toen von Königsmarck vernam dat dit dorp in handen van den vijand was, deed hij zelfs de Goudsche sluis en Alfen door zijn troepen ontruimen en trok met een gedeelte daarvan naar Leiden. Hier weigerde men echter hem binnen te laten en op last van de Gedeputeerden te velde ging hij naar Alfen en de Goudsche Sluis terug.

Intusschen was de dooi doorgegaan en zeer waarschijnhjk daarom durfde Luxemburg de Nederlandsche troepen in hun nieuwe standplaatsen niet aan te tasten. Hij ging 29 Dec. terug naar het verlaten Bodegraven, waar zijn troepen zich aan dezelfde gruwelen als te Zwammerdam schuldig maakten.

Maar hoe nu Utrecht te bereiken, zoolang de post aan de Nieuwerbrug bezet was ? Daar vernam hij nog denzelfden dag dat deze verlaten was en den volgenden dag vertrok hij met zijn troepen, waarvan hij niet meer dan 50 man verloren had, over Nieuwerbrug, waar hij de werken deed slechten, naar Woerden en kwam van hier veilig te Utrecht terug.

Hoewel, dank zij de ingetreden weersverandering de tocht van Luxembourg voor ons betrekkelijk goed was afgeloopen, zoo vormt de beschrijving daarvan toch een treurige bladzijde in onze geschiedenis van die dagen.

In de eerste plaats is dit te wijten aan het gedrag van von Königsmarck.

Deze bevelhebber toch wist van hoeveel belang juist in die dagen de stelling van ons leger bij Bodegraven geacht werd en zijne instructie legde hem den plicht op die tot het uiterste te verdedigen en „niet te verlaten dan in de uiterste extremiteit en om troepen binnen Leiden te werpen", zooals de Prins van Oranje hem uitdrukkelijk geschreven had. Had hij dit gedaan, had hij Luxembourg het voortrukken langs de Mije naar Zwammerdam belet en eventueel daarna hem tegengehouden vóór Bodegraven, dan was er ook geen reden geweest om Nieuwerbrug te verlaten en dan was de Fransche krijgsmacht verloren geweest.

Dat ook de Franschen dit inzagen blijkt o. a. uit een brief van den gouverneur van Utrecht de Stouppa aan Louvois, waarin hij o. a. schreef:

Sluiten