Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

722

BONT.

van gemiddeld een derde der gekapte waarde (boschgeld).

Bestuur. De vorm van het bestuur was tot de onttroning van den laatsten vorst in 1905, aristocratisch-monarchaal, met uitgebreid allodiaal leenstelsel. Aan het hoofd stond de vorst of vorstin, door den rijksraad (hadat) gekozen en die volgens het contract van den 13den Februari 1860 door het Gouvernement moest worden bevestigd. Hem was een Rijksbestierder toegevoegd met den titel To-marilalang (de man, die binnen is), die het hoofd vormde van den hadat en door dezen gekozen werd onder goedkeuring van het Gouvernement. De leden van den rijksraad, ten getale van 7, waren verplicht de belangen van den vorst en het volk te behartigen, behalve die den handel, de scheepvaart en inkomende en uitgaande rechten betreffende, welke tot de bevoegdheid van den sjabandar behoorden, en die, welke het huwelijk raakten en onder den priesterraad ressorteerden. Voorts vond men nog in Boni de djematongaengs, het hoofd der soero's of zendelingen, die 40 in getal moesten zijn; de Anrong goeroe anakaroeng, het hoofd van de jonge prinsen, die geen waardigheid bekleedden, maar voor den vorst uit zekere voorwerpen droegen, wanneer deze zich in het openbaar vertoonde; het hoofd der afstammelingen van Aroe Palakka, voorts hoofden van mindere volgelingen en nog tal van lagere beambten.

De rechtspraak berustte, behoudens hooger beroep op den vorst, bij den hadat en den djematongaeng, voorgezeten door den Rijksbestierder. Zaken, den godsdienst of het huwelijk betreffende, kwamen bij den sarat of priesterraad, bestaande uit het hoofd der geestelijkheid, den kadi en mindere geestelijken. Elke vazal had bovendien rijn afzonderlijke rechtbank, uit rijn hadat bestaande, en een sarat. Het uitoefenen der doodstraf, het tot slaaf verklaren van goederen behoorde in oorlogstijd aan den Poengawa en den Pangoeloe-lompona-djowae. Deze waren hoofden tot het krijgswezen behoorende, de laatstgenoemde tevens belast met het beschermen van 's vorsten persoon en eigendommen en het doen eerbiedigen van diens bevelen, waarbij de grootste willekeur heerschte.

Eigenaardig was, hoewel niet alleen in Boni, de instelling der Rijkssieraden (zie aldaar), met wier bezit de macht van den vorst van Boni ten nauwste verbonden was, zoodanig zelfs, dat dit bezit op zichzelf, zonder meer, de macht medebrengt om over land en volk te gebieden. Al wie deze rijkssieraden onder zijn hoede heeft, hij moge vorstenzoon rijn of vertegenwoordiger van het Gouvernement, wordt door hoofden en bevolking als vorst erkend en geëerbiedigd. Deze rijkssieraden bestaan uit een verzameling oude wapens en voorwerpen van den meest uiteenloopenden aard. In een vergadering, den Sisten Augustus 1905 te Watampone gehouden, werd door den Rijksbestierder en de overige leden van den hadat aan den vertegenwoordiger van het Gouvernement de verzekering gegeven, dat het voornaamste rijksornament de lateyaridoeni (latenridoeni) is, zijnde een zwaard, zonder welks bezit de vorBt geen macht, noch gezag heeft; dat iemand daarenboven nog 3 andere voorwerpen

moet bezitten, om vorst te kunnen zijn, n.1. de lamakawa (een kris), de latolegang (een lans) en de teddoem poelawangé (gouden pajong). Verder behooren tot de rijkssieraden de oela menreli (een kris), de pappa doewanna (een ponjaard of badé), de lasalaga (een lans) en eenige sonris (klewangs of mandaus). Volgens de Bonische grooten worden de ornamenten alleen bij officiëele gelegenheden gedragen en na de plechtigheid onmiddellijk weer opgeborgen.,

Leger. Omtrent de krijgsmacht en bewapening valt het volgende op te merken. Boni was een der weinige staatjes in Insulinde, die reeds in vredestijd over een kleine gewapende macht te beschikken hebben. Men had er de z.g. d j ow a' s, contingenten uit de verschillende landschappen en kampongs te zamen gebracht, welke dienden om den persoon en den eigendom van den vorst te beschermen, diens bevelen te doen eerbiedigen enz. Aan het hoofd dezer djowa's stonden in vredestijd de Pangoeloe-lompona-djowaë, op wien de verplichting rustte, den vorst steeds met al zijn volgelingen of een deel daarvan gewapend op al zijn wegen te volgen en te bewaken. In vredestijd werd overigens niets gedaan, om het Rijk in verdedigbaren staat te houden. Men begon daarmede eerst, wanneer men een oorlog te wachten had of dien tegen anderen voeren wilde. Zoodra dit het geval was, werd de bevolking, zoowel die der vazallen, als de onnriddellijke onderdanen van den vorst, te wapen geroepen; in de eerste plaats die, welke vroeger reeds gevochten hadden of in het Ned.Indische leger hadden gediend en verder bn voorkeur de ongehuwden van 14 tot circa 40 jaar. Hoeveel manschappen de vorst in het veld kon brengen, viel bezwaarlijk te schatten. Men stelde hun aantal echter op circa 10 000 met nog een 2000-tal uit naburige landschappen. Deze strijders stonden onder hun eigen hoofden. Zij waren hartstochtelijke schuivers en dobbelaars, vadsig en zorgeloos in hun bivaks, zoodat overvallingen veel kans op succes hadden. Overigens waren zij bestand tegen vermoeienis ep ontbering. Een deel der krijgsmacht kon als ruiterij worden aangemerkt; maar sedert de voorlaatste Boni-expeditie was het paardenras in deze streken zoo sterk achteruitgegaan, dat ruiterbenden van ongeveer 2000 paarden, gelijk toen werden gezien, zich bij den jongsten krijg niet vertoonden. Aan het hoofd van het geheele krijgswezen stond in oorlogstijd de Poenggawa, welk ambt het laatst door den zoon van den leenvorst werd vervuld. Deze was een beschaafd en energiek persoon, naar schatting 30 jaar oud, die zich in binnenlandsche oorlogen deed kennen als een moedig aanvoerder met vasten wil. Verdere hoofden waren de doeloengs of bestuurders der achterleenen, de reeds genoemde Pangoeloe-lompona-djowaë en nog een aantal andere aanvoerders met den titel van kapitan. Eensgezindheid bestond in den regel niet en de doeloengs trachtten als zelfbesturende potentaatjes zekere onafhankelijkheid tegenover den poenggawa te bewaren, die aan een goede krijgsorde veel afbreuk doet. Het aantal draagbare vuurwapenen, waarover Boni zou kunnen beschikken, werd zeer verschillend opgegeven;

Sluiten