Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

durende de hoogconjunctuur van de jaren 1916—1919 wel tot ƒ30.—.

De pachttijd varieert meestal tusschen 10 en 50 jaar, bij uitzondering is hij ook korter of langer. De meest voorkomende pachtduur is wel 40 en 50 jaar. Soms zien we ook voor een bepaalden tijd verpachten met nog een aantal optie-jaren, d. w. z. met het recht van den pachter om na afloop van den bepaalden termijn de pacht onder dezelfde condities, gedurende een zeker aantal jaren te doen voortduren. Zoo verpachtte Echt voor 40 jaren met 25 optiejaren.

De gemeenten kunnen ook eerst hare woeste gronden ontginnen en daarna verpachten. De gronden worden bewerkt en bemest en na een groenbemestingsgewas bezaaid met rogge of haver. Naar gelang van omstandigheden kan dit nog enkele jaren worden voortgezet. Op gronden van goede kwaliteit is het wel aan te bevelen zelf ontginning toe te passen. Uit de opbrengst van het eerste gewas, dat gewoonlijk heel goed is, kan men de ontginningskosten voor een groot deel bestrijden, waarna de gronden een aanzienlijk hoogere pacht opbrengen. Voor groote complexen is het niet toe te passen en wil men het slechts een enkel maal probeeren, dan ontbreekt gewoonlijk het geschikte personeel en de noodige werktuigen. Houdt men het langer vol, dan treden hier de bezwaren der zelfexploitatie natuurlijk ook reeds op. Voor zelfontginning door de gemeenten is voorlichting door de Ned. Heidemaatschappij zeer gewenscht en in heel veel gevallen voerde deze ook de werkzaamheden uit.

Enkele gemeenten zijn er toe overgegaan op geheel of gedeeltelijk ontgonnen gronden boerderijen te stichten en deze te verpachten. De pachtprijs is dan samengesteld uit den gewonen pachtprijs van woesten grond, de rente voor de ontginningskosten plus 6% van het gebouwenkapitaal en bedraagt gemiddeld ƒ 40.— per H.A.

De gemeente Maashees gaf hierin het voorbeeld en begon reeds in 1904 haar ontginningsbedrijf. Na enkele jaren eigenexploitatie werden de boerderijen verpacht. Door de niet te hooge arbeidsloonen, kunstmestprijzen en bouwkosten uit dien tijd in verband met de goede, hoewel wat afgelegen gronden, heeft die gemeente er een financieel gunstig resultaat mee bereikt. Over 't algemeen is deze werkwijze echter minder voordeelig. De gemeente ontgint toch duurder dan de particulier, terwijl de om-

Sluiten