Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

Art 6. Het onderhoud der wegen elk tegenover zijn perceel blijft ten laste der respectieve pachters en moet geschieden naar goedkeuring van het gemeentebestuur. Het reinigen der hoofdwaterlossingen geschiedt op kosten der gemeente, waarvoor jaarlijks door de pachters boven en behalve den pachtprijs van de door hen gepachte gronden een gulderi per H.A. moet betaald worden. Het gemeentebestuur is gerechtigd om ten allen tijde op de hoofdwaterlossingen het water van alle nog aan te leggen waterlossingen te doen afvoeren.

Art 7 De pachters der perceelen zijn verplicht tusschen de perceelen onderling gezamenlijk op hunne kosten de noodige waterlossingen te graven volgens aanwijzing van het gemeentebestuur en deze op hunne kosten gedurende den geheelen pachttijd te reinigen en te onderhouden; nalatigen zullen een boete verbeuren van ƒ 25.—.

Art. 8. De pachters zijn verplicht elkander over en weder over de verpachte gronden uitweg te verleenen, voor zoover dit noodig mocht blijken, een en ander ter beoordeeling van het gemeentebestuur, terwijl de wegen op het plan aangegeven, voor zoover deze niet zijn aangelegd door de aanpachters, volgens aanwijzing van het gemeentebestuur worden daargesteld en onderhouden.

De overtollige grondlaag der hoofdwaterlossing kunnen de pachters ruimen of slechten volgens aanwijzing van het gemeentebestuur.

Art. 9. De pachters zijn niet gerechtigd bij misgewas, hagelslag of welk ongeval ook eenige vermindering of kwijtschelding van pachtprijs te vorderen.

Art. 10. De perceelen worden verpacht zonder waarborg van maat en worden de pachters gehouden het gepachte wel te kennen.

De pachters zijn verplicht de grenzen der perceelen goed te onderhouden, gelijk deze zijn afgepaald en aangewezen.

Art. 11. Zonder schriftelijke toestemming van het gemeentebestuur mogen de pachters hunne gepachte perceelen noch geheel, noch gedeeltelijk aan anderen verhuren of om niet overgeven. Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een boete van ƒ 50.—, terwijl bovendien het gemeentebestuur het recht heeft de pacht met ingang van den eerstverschijnenden termijn genoemd in art. 1 te doen eindigen.

Sluiten