Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6o AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANG

de eerste Nederlandsche vertaler te zeggen, dat hij eene nieuwe, eene herhaalde poging om dit en andere gedeelten van den „Hyperion" naar waarde over te zetten aan alle jonge dichters aanbeveelt, die den rijmeloozen jambischen vijfvoet tot voertuig willen maken van eigen verheven gedachten. Niet alleen door de keus van zijne beelden, maar ook door de overeenkomst van klank en greuoe/suiting en vooral door zeldzame gaven van versificatie heeft KEATS bij mij sedert jaren verkregen, dat de eerste 200 regels van zijn „Hyperion" uitdrukking zijn geworden van mijne gewaarwordingen bij menig grootsch en somber landschap, bij vele schoone bewolkte luchten. — Ik geloof de oorzaak op het spoor te zijn gekomen. — Ook het droefst en somberklinkende is bij KEATS nooit naargeestig, omdat het altijd die verscheidenheid van het leven heeft, die het sombere in de natuur schoon maakt en het glansende in de natuur voor eentonigheid bewaart.

Een ieder heeft genoten, vooral op den eersten helderen dag van het beginnende jaar, bij het aanschouwen van dat net van dansende zonnestralen, dat zich als jambische reien op onze wateren beweegt. Maar hoe wars wierd men spoedig van het vroolijke schouwspel, indien niet telkens, nu in het midden, dan tegen den oever, nu voor een steiger, dan tegen een schip — altijd onverwachts en toch nimmer de maat van 't geheel verbrekend, schitterender en breeder lichtvonken uitschoten, zoo levendig als KEATS' eigen zonnige wezen. x)

Die lichtyon/ten in 't vroolijke, schaduwfinfen in

1) Van den dag af, dat ziekte de zon uit het gemoed van KEATS deed verdwijnen, kort na het staken van den „Hyperion", ging het met hem evenals met een landschap in de hoogste Alpen, wanneer de nevels er over heen liggen; niets dan zwart en wit, bij hem vooral veel zwart. — Van den dichter KEATS was toen weinig overgebleven en de laatste dagen van zijn leven hebben dan ook alleen waarde voor minnaars van pathologische analysen.

Sluiten