is toegevoegd aan je favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

264

genoemde bepaling ontleend, overgenomen en zonder verder debat aanvaard. De bepaling is thans opgenomen in het tweede hd van art. 886.

Volgens het derde lid van dit artikel moet de oproeping eene korte aanduiding behelzen van het ontdekte feit, onder vermelding omstreeks welken tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Vgl. art. 261 lid 1 omtrent den inhoud der dagvaarding. Het verschil bestaat dus daarin, dat de oproeping slechts eene korte aanduiding van het ontdekte feit behoeft in te houden in plaats van de door art. 261 gevorderde „opgave van het feit". De oproeping wordt door den opsporingsambtenaar gedagteekend en onderteekend en een dubbel er van — één exemplaar wordt volgens art. 885 uitgereikt, — wordt bij het proces-verbaal overgelegd, lid 4 en 5.

Indien bij de oproeping de bij het eerste lid van art. 886 voorgeschreven termijn niet is in acht genomen of niet voldaan is aan de bepalingen van lid 8 en 4 van het artikel omtrent den inhoud en den vorm, is daarvan volgens lid 6 nietigheid het gevolg. Intusschen wordt de nietigheid, welke voortvloeit uit de nietinachtneming van den gestelden termijn, gedekt door de vrijwillige verschijning van den verdachte op de hem uitgereikte of toegezonden oproeping. Vgl. art. 265 lid 8, waar hetzelfde bepaald wordt ten aanzien van de dagvaarding, en art. 148 oud. De bepaling van het laatste lid van art. 265 omtrent de te bevelen schorsing op verzoek van den verdachte is hier niet overgenomen.

Uit den aard der zaak moet de beslissing over het al dan niet vervolgen berusten bij het O. M. vooral in verband met de bij art. 167 hd 2 toegekende bevoegdheid om op gronden aan het algemeen belang ontleend van vervolging af te zien. Art. 387 bepaalt daarom, dat indien het openbaar niinisterie bij het kantongerecht aanvankelijk van meening is, dat de zaak niet verder behoort te worden vervolgd — na nadere overweging kan dan alsnog tot vervolging worden overgegaan, op de gewone wijze bij dagvaarding aanhangig gemaakt — of oordeelt dat zij niet bij oproeping aanhangig dient te worden gemaakt, het den verdachte zoo spoedig mogelijk, op de wijze door het openbaar ministerie te bepalen, kennis geeft dat de oproeping wordt ingetrokken. Ook kan het O. W. van oordeel zijn, dat de zaak op eene latere terecht-