is toegevoegd aan je favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grooten, strooien hoed wat naar achter om beter te kunnen zien.

Oliehoek keek ook, met de hand boven de oogen, in dezelfde richting, en antwoordde: „het is Freek, hij komt zeker het paard halen."

„Nou, 't zal ook lang duren, voordat ie 'm heeft, want ie is zoo schuw als een wilde kat," merkte Henk op.

De drie hooiers namen na dit gesprek hunne hooiharken ter hand, en haalden het afgemaaide gras, dat verspreid lag, bijeen, om er oppertjes van te maken. Nu en dan hieven zij het hoofd op, en zochten in de vlakte den paardenknecht, die dikwijls tusschen de graanvelden verdwenen was. Eerst slechts een poppetje aan den ruimen horizont, werd hij steeds grooter en grooter.

Freek liep langs de slootkanten, om niets te vertrappen, en keek gedurig in de lucht, naar de kievieten, die, opgeschrikt uit hunne nesten, schreeuwend rondvlogen. In de eene hand had hij een bakje met haver, en in de andere een eind touw.

Zoodra het paard, dat naast het hooiland graasde, hem zag, bewoog het onrustig de ooren, en staakte het grazen.

„Kom maar hier, Jan," zeide Freek tegen het beest, nadat hij het hek door was, en hij trachtte het paard, welks zwarte huid in de zon glansde, met een zoet lijntje te lokken. Maar Jan liet zich niet snappen; hij liep eerst onrustig heen en weer, en galoppeerde eindelijk naar den achtersten hoek van het land. Daar bleef hij staan, den kop omhoog en met schichtigen blik om zich heen ziende.

27