Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich den kant uit vanwaar hij voor Kerstmis was gekomen, langs de bedding der Aulne steeds dieper het land in.

„Dwaasheid nu nog te denken aan dien eed van een verdrietigen nacht zoolang voorbij," poogde hij zijn geweten te sussen. „Toen was ik aan een kind gelijk, zonder mijn wil of waarde te weten. Ik, Yann Rumengol, de bard, die eeuwigen roem kan vinden, evenwaardig aan de roemrijksten van Armor." En meewarig lachtehij om zijn onnoozelheid van eerst, die hem bijna gedreven had in een monnikscel. Weg, voorgoed, de laatste herinnering aan die verdwazing!

Hij zwierf van dorp tot dorp, doolde door de bosschen en langs de kusten. Lente werd het, en hij volgde als voorheen de pardons in den drom der mannen. Maar zonderling: sinds hij zoo helderziende wist, wie hij was en wat hij wilde, kon hij niet meer zingen als vroeger. Zijn liederen van eertijds verdroten hem als leege klinkklank, en de nieuwe, die hij na pijnlijk bezinnen vond, moesten wel onbegrijpelijk zijn. Want geen hunner, die zich aan den voet van kruis of calvarie of aan de fontein op de markt om hem schaarden, riep nog „meer, meer!" als tevoren. Sommigen keerden hem den rug toe, eer hij had uitgezongen, anderen vroegen hem te zingen zooals hij eerst zong, en gingen grommend weg, wanneer hij antwoordde dien wildzang van eertijds te zijn vergeten* Overal werden de toehoorders steeds schaarscher*

Teleurgesteld en neerslachtig begon Yann heer Leonardus in zijn hart te beschuldigen hem met onwetend van zichzelf te hebben gelaten, zooals

6a

Sluiten