Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GIERST—GIETBETON.

281

leider van de buit. pol. van Rusland. Van 1882 af was hij Min. van buit. zaken. Zelf een voorstander van een Duitschgerinde politiek was hij echter niet in staat den aandrang van de Nationaal-Russ. partij tot aansluiting bij Frankrijk te keeren. Hij overl. in 1895.

Gierst, naam gegeven aan verschillende grassen, waarvan de vruchten als voedsel dienen. Zie PANICUM en SETARIA. Gierstgras, zie MILIUM. Gierstmelde (Chenopodium Quinoa), is een zeer oude cultuurplant, welke aan de Inca's het voornaamste voedingsmiddel leverde. Wordt nog in Z.-Amerika, vooral in Peru en Chili, op uitgebreide schaal gekweekt. Het zaad wordt tot brij gekookt of na vermaling tot een vla verbakken, als voedsel gebruikt. Door den nood gedrongen in de laatste oorlogsjaren is vooral in Duitschland ook voor onze cultuurtoestanden de aandacht op dit gewas gevestigd. Volgens de opgaven kan de zaadoogst buitengewoon hoog zijn. Nauw verwant met de g. (Duitsch: Reismelde) is de Luismelde (Chenopodium album) een algemeen bekend onkruid.

Gierzwaluwen, Cypselidae, een familie van de Grootvleugeligen, gekenmerkt door het bezit van zeer kleine, maar krachtige voeten, van welke alle 4 teenen naar voren gericht zijn; de duim kan wel op zij, maar niet naar achteren draaien (behalve bij de Salanganen); de nagels zijn krachtig en scherp. De snavel is zeer kort en, van boven gezien, breed driehoekig ; onderen bovensnavel zijn zwak en buigzaam. De snavel is tot ver achter de oogen gespleten, de mondopening bierdoor buitengewoon wijd. Vleuirolo lanir en smal. de staart is gaffelvormig.

Kleine, maar krachtig gebouwde vogels, over de geheele wereld verspreid, met uitzondering van de koude luchtstreken. Echte luchtdieren, die den geheelen dag zich al vliegende bewegen en meesters zijn in de vliegkunst; op den grond zijn zij echter zeer onbeholpen. In hun vlucht vangen zij tallooze insecten; zeer nuttige dieren. Trekvogels. De nesten worden vervaardigd uit allerlei materiaal, dat door in de lucht verhardend speeksel wordt aaneengelijmd ; bij sommigen, zooals de Salanganen, bestaat het nest uitsluitend uit hard geworden speeksel. — In ons land komt slechts voor de g.- of torenzwaluw, Apus apus, die door geheel Europa, N.- en Midden-Azië en Afrika broedt.; lengte lichaam tot 18 cm, staart 8 cm, vlucht 42 cm, bovenzijde zwart tot bruin. Van Mei tot September ; een zeer schuwe vogel, die in torens, muurspleten, enz. nestelt; leeft in kolonies bijeen. Zéér nuttig ! Zie plaat Gierzwaluwen fig. 3. Zie verder bij SALANGANEN.

Giesebrecht (Friedrich Wilhelm Benjamin), Duitsch historicus, geb. 1814 te Berlijn, leeraar aan het Joach. Gymn. te Berlijn.1867 prof. te Königsbergen, 1862 prof. te München. Hij schreef o. a.: Geschichte der deutsehen Kaiserzeit (1865—95); Geschichte Ottos II (Jahrb. des d. Reiches, 1840). Sedert 1874 was hij lid van de redactie der uitgave van de „Staatengeschichte" van Heeren und Uckert. In zijn geschiedbes'chrijving toont hij zich een leerling van Ranke. Bovendien wil hij m zijn werk aantoonen, waar¬

door Duitschland groot is geworden. Historische probl. worden door hem niet behandeld. Hij stierf 1889. — Litt.: S. Riezler, Gedachtnisrede auf W. v. G. (1891); v. SybeL Vortrage und Abh. (1897).

Giesen (Giessen), gem. in het Land van Altena, N.-Brabant, groot 566 ha met 550 inw. (1926), voor bijna 73% Ned. Herv. en 25% Geref. De grond is rivierklei (gras- en bouwland). Het dorp G. ligt a. d. Maas, i>\ km ten Z.O. van Woudrichem.

Giesendam, gem. in Z.-Holland (Alblasserwaard), 1776 ha rivierklei in gebruik als weiland. Aantal inw. 4304 (1927), waarvan 68 % Ned. Herv. en bijna 22 % Geref. Veehouderij en kaasmakerij, hooihandel en hoepelmakerij zijn de voornaamste bedrijven. De gem. bevat de dorpen G. aan den spoorweg Dordr.—Nijmegen, ten N. van de Merwede met scheepswerf, hoepelfabr. betonfabr. en aannemersbedrijven. Ten N.O. Giesen—Oudekerk aan het riviertje de Giesen, met oude Herv. kerk, 14e—15e eeuw en houtbewerking (kuiperij).

Giesen-Nieuwkerk (Giessen-N.), gem. in den Alblasserwaard, Z.-Holland, groot 789 ha met 1007 inw. (1926), waarvan 69 % Ned. Herv. en 30 % Geref. (1920). De grond is rivierklei en laagveen. Het dorp G.-N. ligt a. d. Giesen. Tabaks- en zuivelindustrie, maalderij.

Giessen, nooldstaa van ae nessiscne pruv. Oberhessen, in het Giessenerbekken, aan den linkeroever van de Lahn, die bier de Wieseck opneemt, met 32.800 inw. De kern vormt de in 1904 gerestaureerde burcht, waarin is ondergebracht het Oudheidk. Museum (Oberhessisches Museum; Gailsche Sammlungen), 't Museum v. Volkenkunde, wapenverzameling. Om de burcht heeft zich ontwikkeld de stad, die nog grootendeels haar oud aanzicht heeft bewaard (vakwerk gevels, nauwe bochtige straten). Men vindt hier 't oude raadhuis (16e eeuw). Om de oude stad groeide de nieuwe stad, met breede rechte straten. Hier staat ook de nieuwe Universiteit (gebouwd 1889; verving de in 1607 gestichte Ludwigs-Un.). met bibliotheek (321.000 deelen). De industrie omvat tabaksbewerking, aardewerk-ind., gummiwarenbewerking, machine-ind. en brouwerijen, 't Vormt een knooppunt van spoorwegen: Frankfort— Cassel, Fulda—Coblentz.

Gietasphalt, een asphaltmengsel, dat bestaat uit grind, zand en asphaltmastiek. (Zie ASPHALTMASTIEK). Het wordt op groote schaal toegepast voor het maken van vloeren, perrons straatplaveisel en verharde wegen. Zie verder WEGVERHARDING.

Gietbeton is beton dat, in onderscheiding van stampbeton, van zulk een waterrijke,' slappe samenstelling wordt aangemaakt, dat het voldoende dunvloeibaar is om door nauwe orwningen heen gegoten te worden, hetgeen vooral bij gewapend betonconstructies noodig kan zijn om de openingen tusschen de wapeningsstaven, waar deze dicht op elkaar ritten, te vullen. Er zal speciaal tegen moeten worden gewaakt, dat de dunvloeibare pap zich niet ontmengt, doordat, een gedeelte van het water met cement er uitvloeit.

Sluiten