is toegevoegd aan uw favorieten.

Het landsheerlijk bestuur in het sticht Utrecht aan deze zijde van den IJsel gedurende de regeering van bisschop David van Bourgondië, 1456-1496

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

Over de wijze, waarop de maarschalk zijn politie-vervolgingen ten uitvoer legt, geeft een aanteekening in het Judiciale over een voor ridders en knapen gevoerd proces tusschen den maarschalk van Amersfoort en Eemland Gerrit Mulert eenerzijds en Volken Aeltszoon 1) en Jacob Wege Mensenzoon ter andere zijde inlichting. Deze beide laatsten hadden beloofd onder borgstelling van honderd schilden zekeren Gerrit Teuniszoon te arresteeren of aan het gerecht over te leveren. Daar de maarschalk bewijzen kon, dat de borgtocht inderdaad gesteld was, werden Volken en Jacob schuldig verklaard, waarvan zij echter terstond in hooger beroep gingen bij de Schive 2). Het pikante van het geval zit hem in het feit, dat de maarschalk een hem ondergeschikt ambtenaar bij borgstelling dwingen kon zijn poUtieplicht na te komen. Mogelijk was de maarschalk zelf financieel bij de zaak geinteresseerd, daar Frederik van Blankenheim in 1422 bepaald had, dat, als een aangeklaagde den maarschalken ontsnapte, zij den klager moesten tevreden stellen 3),

Bij den Landbrief van 1375 was bepaald dat de burchtvoogden en ambtenaren bij open brieven moesten beloven, hun burchten en ambten niet te bezwaren met „meer dan voor een jaer benoemder pensie, die redelic is", noch hun burcht of ambt overleveren aan hun opvolgers, voordat die hetzelfde gedaan hadden. De bisschop beloofde zijnerzijds geen ambtenaren over te plaatsen zonder er op te letten, dat deze bepaling nageleefd werd 4). Deze bepalingen gelden ook wel voor de maarschalken, te meer daar deze bijna allen kastelein van een slot in hun ambtsgebied waren. Maar ook. hierin had David in de jaren zijner grootheid gezondigd tegen den Landbrief, In September 1479 klagen de Staten dan ook over die nalatigheid 5).

1) Deze wordt Off. fol. 137v, Utrecht, 1469 Nov. 4, vermeld als schout te Eemnes.

2) Jud. fol. 155v.

3) Burman, a. w., I 268.

4) De Blécourt en Japikse, a. w„ lj v. d. Water I 29.

5) Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XTV 263.